Herziening Wet toezicht trustkantoren in 2018

Geschreven door Lexalert
Foto: Drew  

Het wetsvoorstel "Regels met betrekking tot het verlenen van trustdiensten en het toezicht daarop (Wet toezicht trustkantoren 2018)" strekt tot verdergaande regulering van het verlenen van trustdiensten. De normen waaraan trustkantoren moeten voldoen worden aangescherpt en het instrumentarium dat De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) als toezichthouder kan inzetten wordt uitgebreid. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het regeerakkoord van het kabinet Rutte III.

Met dit wetsvoorstel wordt de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) herzien. Deze herziening is in belangrijke mate ingegeven door het voortschrijdend inzicht vanuit de toezichtpraktijk, maar ook door gewijzigde internationale en Europese kaders zoals de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) en richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PbEU 2015, L 141) (de vierde anti-witwasrichtlijn). Tot slot zijn bij dit wetsvoorstel ook de bevindingen van de parlementaire ondervragingscommissie fiscale constructies betrokken voor zover die zien op de wetgeving voor trustkantoren.[1]

De aard en omvang van de wijzigingen ten opzichte van de Wtt zijn zodanig dat gekozen is voor intrekking van die wet en introductie van een nieuwe wet.

In deze memorie van toelichting wordt in paragraaf 2 eerst ingegaan op hetgeen onder trustdienstverlening wordt verstaan, op de trustsector in Nederland en de verantwoordelijkheid die deze sector heeft in het financiële stelsel. In paragraaf 3 wordt de aanleiding van de herziening van de Wtt uiteengezet. In paragraaf 4 worden de belangrijkste wijzigingen besproken. In de opvolgende paragrafen wordt ingegaan op de verhouding tot andere regelgeving die relevant is voor trustkantoren, gegevensgebruik, de financiële gevolgen en administratieve lasten, de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid en de consultatie van dit voorstel. In deel II van de toelichting worden de artikelen afzonderlijk toegelicht. Tot slot is aan het einde van de toelichting een transponeringstabel opgenomen waarin de verhouding tot het huidige recht is weergegeven.

Daarnaast is een transponeringstabel opgenomen voor de artikelen die een implementatie vormen van de vierde anti-witwasrichtlijn.

Deze toelichting wordt mede gegeven namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in verband met zijn verantwoordelijkheid voor het toekennen van bevoegdheden aan DNB als zelfstandig bestuursorgaan.[2]

De juridische nieuwslijn Lexalert informeert u gratis en per e-mail over de juridische actualiteit - Schrijf in op onze gratis nieuwsbrief

§1. De trustsector

§1.1. Trustdienstverlening

Met het oog op de bescherming van de integriteit van de financiële markten is sinds 2004 trustdienstverlening in Nederland gereguleerd door de introductie van een vergunningenstelsel met toezicht toegespitst op een integere bedrijfsvoering.[3] Hierdoor is het in Nederland verboden om trustdiensten te verlenen zonder de daartoe vereiste vergunning. Bij trustdiensten bestaat namelijk een risico dat deze worden misbruikt voor witwassen, de financiering van terrorisme of ander maatschappelijk onbetamelijk gedrag. De trustdiensten zijn de in de Wtt gedefinieerde diensten. Deze zijn gebaseerd op de aanbevelingen van de FATF hierover. Het betreft (1) het in opdracht optreden als bestuurder van een rechtspersoon of vennoot van een vennootschap, (2) het verlenen van domicilie voor een rechtspersoon of vennootschap in combinatie met het verrichten van aanvullende werkzaamheden, (3) het gebruik maken van een doorstroomvennootschap, (4) het verkopen van rechtspersonen en (5) het in opdracht optreden als trustee van een trust of vergelijkbare juridische entiteit.

Een partij die deze diensten beroeps- of bedrijfsmatig aanbiedt, wordt aangemerkt als een trustkantoor. Met hun dienstverlening zijn trustkantoren betrokken bij het opzetten en onderhouden van internationale concernstructuren, waar een of meer Nederlandse rechtspersonen of vennootschappen deel van uitmaken. Trustkantoren voeren het beheer over deze rechtspersonen en vennootschappen, die worden aangeduid als ‘doelvennootschappen’. De dienstverlening van een trustkantoor kan bijvoorbeeld bestaan uit het optreden als bestuurder van een doelvennootschap, het leveren van een postadres en het verlenen van ondersteunende administratieve diensten, of het gebruik maken van een rechtspersoon of vennootschap binnen zijn groep als doorstroomvennootschap voor kapitaal en bedrijfsinkomsten van een internationaal opererende onderneming.

§1.2. Omvang Nederlandse trustsector

De Nederlandse trustsector is groot. Op 1 juli 2017 waren er 229 vergunninghoudende trustkantoren die onder meer ruim 20.000 doelvennootschappen beheerden. Deze omvang kan worden toegeschreven aan verschillende factoren die in samenhang met elkaar zorgen voor een gunstig vestigingsklimaat voor houdster- en financieringsmaatschappijen. Bij deze factoren kan worden gedacht aan een uitgebreid netwerk van belastingverdragen met het oogmerk om dubbele belasting te voorkomen, een kwalitatief onderscheidend civielrechtelijk stelsel en bijbehorende rechtspleging, hoogopgeleide en internationaal georiënteerde werknemers, goede infrastructuur en andere gunstige fiscale modaliteiten. Dit alles maakt dat multinationals en investeringsmaatschappijen graag gebruik maken van Nederland als onderdeel van hun vennootschapsrechtelijke inrichting. Voor internationaal opererende ondernemingen is het vaak doelmatiger om het beheer van Nederlandse doelvennootschappen door een trustkantoor te laten uitvoeren, dan om in Nederland daarvoor personeel aan te trekken.

§1.3. Poortwachter

Om de integriteit van het Nederlandse financiële stelsel te beschermen is gekozen voor een systeem met poortwachters. Deze poortwachters doen onderzoek bij hun dienstverlening naar hun cliënt ter voorkoming van witwassen, de financiering van terrorisme en ander maatschappelijk onbetamelijk gedrag. Naast onder meer financiële instellingen, en vrije beroepsbeoefenaars als notarissen en advocaten, fungeren ook trustkantoren als poortwachters. Dit houdt in dat trustkantoren zich voorafgaand en tijdens hun dienstverlening moeten inspannen om te voorkomen dat het Nederlandse financieel stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld, het financieren van terrorisme of voor andere handelingen die ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht of in het maatschappelijk verkeer betaamt. Als trustkantoren diensten verlenen aan of door middel van Nederlandse rechtspersonen of vennootschappen geldt deze poortwachterfunctie ook voor de toegang tot het Nederlandse rechtsstelsel: het voorkomen dat rechtspersonen of vennootschappen worden gebruikt voor de genoemde doeleinden.

Om deze poortwachterfunctie te kunnen vervullen dienen trustkantoren hun bedrijfsvoering zo in te richten dat integriteitrisico’s worden gesignaleerd en kunnen worden beheerst. Integriteitrisico’s zijn risico’s op een ontoereikende naleving van geldende wet- en regelgeving, maar ook op betrokkenheid van het trustkantoor bij handelingen die ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht of in het maatschappelijk verkeer betaamt. Niet alleen het trustkantoor en zijn medewerkers zelf moeten zich zodanig gedragen dat aantasting van de reputatie van het trustkantoor en van de financiële markten wordt voorkomen, ook de cliënten van het trustkantoor mogen geen onaanvaardbaar risico vormen.

In dat kader wordt van trustkantoren verwacht dat zij bij hun dienstverlening voortdurend onderzoeken of hun cliënten betrokken zijn bij niet-integer handelen, zoals bijvoorbeeld witwassen of financieren van terrorisme. Dit vergt een bijzondere inspanning van trustkantoren. Om potentieel misbruik te onderkennen, dienen zij zich tot in detail op de hoogte te stellen van hun cliënten, te bedienen doelvennootschappen en de ratio van hun dienstverlening: waarom wil men toegang tot het Nederlandse financieel stelsel of rechtsstelsel?

§1.4. Specifieke regeling voor trustdiensten

In de Wet ter voorkoming van witwassen en de financiering van terrorisme (Wwft) is voor verschillende dienstverleners bepaald dat zij voorafgaand en gedurende een zakelijke relatie onderzoek naar de cliënt moeten verrichten. Voor trustkantoren is gekozen om deze poortwachterfunctie in een afzonderlijke wet te regelen. Trustdiensten, zoals het leveren van een postadres en het verrichten van administratieve werkzaamheden of het gebruiken van een vennootschap voor het laten doorstromen van kapitaal van een internationale onderneming, worden naar hun aard beschouwd als diensten met een hoog inherent integriteitrisico. Traditioneel gaat het om fiscaal gedreven structuren van rechtspersonen die mede in verband met hun complexiteit vatbaar zijn voor misbruik. Daarbij geldt dat deze structuren vaak lopen via diverse off-shore jurisdicties. Verder zijn de laatste jaren ook de zogenoemde “asset-protection” structuren in opmars die naar hun aard zo min mogelijk transparant zijn. Voorts is sprake van een hoger risico doordat de meeste trustkantoren de cliënt en diens uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) niet in persoon ontmoeten. Al deze aspecten rechtvaardigen specifieke voorschriften aan de organisatie van trustkantoren zelf en hun dienstverlening.

Lees ook: Wijziging Faillissementswet 2018

§2. Aanleiding voor de herziening van de Wtt

§2.1. Inleiding

Met de inwerkingtreding van de Wtt in 2004 zijn regels gesteld aan het verlenen van trustdiensten in Nederland. Sindsdien verleent DNB vergunningen aan trustkantoren en handhaaft zij de voorschriften ingevolge de Wtt. Aanvankelijk leek het wettelijk stelsel in de benodigde regulering van de trustsector te voorzien.[4] In de afgelopen jaren is echter gebleken dat de huidige regelgeving de inherente integriteitrisico’s bij trustdienstverlening onvoldoende mitigeert. De huidige regelgeving heeft niet tot de vereiste professionaliteit van trustkantoren geleid en in de sector grote integriteitrisico’s bestaan. Daarnaast hebben de onthullingen rond de Panama papers en het onderzoek van de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies aanleiding gevormd voor verdere regulering van de trustdienstverlening.

§2.2. Onderzoeken DNB

In de periode van 2012 tot en met 2015 is bij diverse onderzoeken van DNB gebleken dat trustkantoren de regelgeving onvoldoende wordt nageleefd naar letter en geest van de wet. In 2012 bleek bij doelvennootschappen met operationele activiteiten en doelvennootschappen die consultancydiensten verlenen, dat bij vrijwel alle onderzochte trustkantoren handhavend optreden noodzakelijk was. Ruim de helft van de onderzochte trustkantoren bleek de bijzondere integriteitrisico’s die aan deze doelvennootschappen zijn verbonden onvoldoende te mitigeren, dan wel anderszins tekort te schieten in de bedrijfsvoering.[5] In 2013 constateerde DNB grote integriteitrisico’s bij doorstroomvennootschappen, vooral waar deze werden gebruikt voor handelsactiviteiten of in de gevallen waarin de middelen waarvoor de doorstroomvennootschap werd gebruikt zowel afkomstig waren van, als bestemd waren voor dezelfde UBO.[6] Bij gebreke van adequate maatregelen brengt dergelijke dienstverlening grote risico’s met zich op het witwassen van geld door cliënten. Later dat jaar heeft DNB bij drie van de twaalf onderzochte trustkantoren moeten ingrijpen vanwege een falende voortdurende controle op de transacties waarbij het trustkantoor betrokken was.[7]

In 2013 en 2014 heeft DNB themaonderzoeken verricht naar de dienstverlening van trustkantoren aan commanditaire vennootschappen en de functiescheiding[8] bij de kleinere trustkantoren.[9] In totaal werden twintig trustkantoren onderzocht, waarna de toezichthouder in zestien gevallen vervolgmaatregelen heeft aangekondigd. De maatregelen varieerden van het geven van een aanwijzing tot het intrekken van de vergunning.

Het voorgaande heeft mede aanleiding gevormd om de lagere regelgeving op grond van de Wtt aan te scherpen. Zo is per 1 januari 2015 de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren herzien (Rib Wtt 2014). Hiermee is ondermeer een verplichte audit functie geïntroduceerd, waarmee de compliance functie periodiek wordt gecontroleerd. Daarnaast is een algemene verplichting opgenomen dat een trustkantoor kennis dient te hebben van het doel van zijn dienstverlening en dient te onderzoeken of aan die dienstverlening integriteitrisico’s zijn verbonden. Voordien gold deze norm alleen expliciet voor het onderzoek naar de herkomst en bestemming van middelen van de doelvennootschap.

Ook na die wijzigingen zijn nog onvolkomenheden geconstateerd. In maart 2015 is gebleken dat de beheersing van risico’s bij buitenlandse bijkantoren van doelvennootschappen door trustkantoren ondermaats is. Tegelijkertijd heeft DNB geconstateerd dat ook de naleving van de Sanctiewet 1977 door trustkantoren beter kan en moet.[10] Dit is cruciaal voor de beheersing van integriteitrisico’s.

Verder heeft DNB meerdere malen geconcludeerd dat het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties op grond van de Wwft door trustkantoren bij de Financiële inlichtingen eenheid Nederland (FIU) niet voldoende is.[11] Trustkantoren melden de afgelopen jaren (met uitzondering van 2015) meer ongebruikelijke transacties dan voorheen, maar de meldingen komen slechts van een kleine groep trustkantoren en hangen bovendien vaak samen met een door DNB opgelegde of gevraagde herstelactie van de integere bedrijfsvoering. Gelet op het hoge inherente risico van de dienstverlening, het grote aantal transacties alsmede de grote totale waarde van die transacties, worden meer meldingen vanuit de trustsector verwacht.

De optelsom van de bevindingen in de verschillende onderzoeken heeft ertoe geleid dat DNB in juli 2015 in haar jaarlijkse wetgevingsbrief constateerde “dat het huidig wet- en regelgevend kader onvoldoende aanknopingspunten biedt om de stap naar professionalisering van de sector te zetten”.[12]

§2.3. Panama papers en POFC

Gedurende de voorbereiding van dit wetsvoorstel kwamen de onthullingen uit de Panama Papers naar buiten. Deze onthullingen hebben aanleiding gevormd voor de Tweede Kamer om in 2016 een Parlementaire ondervragingscommissie naar Fiscale constructies in te stellen.[13] Bij dit onderzoek is de rol van trustkantoren prominent aan bod gekomen en zijn suggesties gedaan voor nadere regulering van de trustsector.[14] Zowel de onthullingen zelf als het onderzoek van de Tweede Kamer zijn betrokken bij dit voorstel. Enkele wetgevingssuggesties uit het verslag van de ondervragingscommissie zijn opgenomen in dit wetsvoorstel. Het gaat dan om:

- een verbod om binnen dezelfde groep zowel trustdiensten als belastingadvies te verlenen aan een cliënt, ten einde belangenverstrengeling te voorkomen en de onafhankelijkheid van een trustkantoor te waarborgen;

- een verbod om de uitoefening van de compliancefunctie uit te besteden;

- een verruiming van de mogelijkheden om bij overtreding van de wet de vergunning van een trustkantoor in te trekken.

Daarnaast zijn aan de hand van opmerkingen in het onderzoek van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies over dienstverlening aan structuren met zeer hoge integriteitrisico’s, de eisen aan het cliëntenonderzoek heroverwogen. Dit heeft tot aanscherpingen geleid, waarmee enerzijds integriteitrisico’s direct worden beperkt en anderzijds een trustkantoor beter in staat zal zijn om te constateren in hoeverre zijn dienstverlening aan een structuur als omschreven in paragraaf 4.3.3 integriteitrisico’s met zich brengt.

§3. Hoofdpunten wetsvoorstel

§3.1. Inleiding

In deze paragraaf wordt ingegaan op de hoofdpunten van het wetsvoorstel en de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de Wtt. Een aantal uitgangspunten van de Wtt blijft ongewijzigd. Het doel van dit wetsvoorstel is het bevorderen van de integriteit van het financieel stelsel door middel van de regulering van de trustsector. Dit is van groot belang ter bescherming van de goede reputatie van de Nederlandse financiële sector en het Nederlandse rechtstelsel. In de opzet van dit wetsvoorstel blijven trustkantoren als poortwachters fungeren. Met de voorafgaande en doorlopende controle van hun cliënten leveren zij een belangrijke bijdrage aan het tegengaan van witwassen van geld, terrorismefinanciering en handelingen die naar ongeschreven recht of in het maatschappelijk verkeer als onbetamelijk worden beschouwd. In het verlengde hiervan blijft de regelgeving in onderhavig wetsvoorstel gebaseerd op de eigen verantwoordelijkheid van trustkantoren om onderzoek te doen naar integriteitrisico’s en deze risico’s te onderkennen en te ondervangen.

Verder blijft net als in de Wtt de uitvoering en het toezicht belegd bij DNB. Bij DNB is de benodigde kennis en expertise aanwezig om zowel vergunningaanvragen te beoordelen als toe te zien op de naleving van de wet. Omdat DNB als zelfstandig bestuursorgaan op afstand van de politiek staat, blijft het van groot belang dat DNB adequaat verantwoording aflegt over de taakuitoefening. Daartoe dient de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, die op grond van artikel 1:30 van de Wft van toepassing is op DNB. Er is geen aanleiding gezien om in het kader van dit wetsvoorstel deze verhouding tussen de Minister en DNB te herzien.

De belangrijkste wijzigingen in dit wetsvoorstel betreffen maatregelen om de integriteit en professionaliteit van trustkantoren te versterken (paragraaf 4.2), het cliëntenonderzoek te verbeteren (paragraaf 4.3) en het toezicht- en handhavingsinstrumentarium uit te breiden (paragraaf 4.4).

Naast de wijzigingen die hieronder worden besproken zijn de nodige technische verbeteringen doorgevoerd. Het gaat daarbij om het verbeteren van formuleringen in verband met de inzichtelijkheid en in verband met een betere aansluiting bij de Wet op het financieel toezicht (Wft) of Wwft. Voor zover deze verbeteringen niet voor zich spreken, zijn zij toegelicht in het artikelsgewijs deel van deze toelichting. Ook vormt onderhavig wetsvoorstel wat betreft het cliëntenonderzoek en de bevoegdheden van de toezichthouder een implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn.

§3.2. Versterken integriteit en professionaliteit

§3.2.1. Inleiding

Een van de belangrijkste doelstellingen van het onderhavige wetsvoorstel is een verdergaande professionalisering van trustkantoren. Vanuit dat perspectief is het noodzakelijk dat trustkantoren een meer intrinsieke benadering van integriteit adopteren. Naast integriteit op het niveau van de cliënt is integriteit op het niveau van het trustkantoor zelf van groot belang. Bij de uitoefening van de poortwachterfunctie hoort een poortwachter die capabel is om uitvoering te geven aan de taak die hem is opgedragen. Daarom worden verschillende wijzigingen voorgesteld voor de organisatie van trustkantoren. Het gaat om een uitbreiding van de normen voor een integere bedrijfsvoering en een beheerste bedrijfsuitoefening, eisen aan de rechtsvorm van een trustkantoor en het minimum aantal beleidsbepalers en het voorschrijven van een verplichte interne compliancefunctie.

§3.2.2. Integere bedrijfsvoering en beheerste bedrijfsuitoefening

De regels over de integere bedrijfsvoering en beheerste bedrijfsuitoefening zijn in dit wetsvoorstel aangescherpt. Zij sluiten op hoofdlijnen aan bij vergelijkbare normen die voor instellingen op grond van de Wft gelden. Het gaat dan om regels, maatregelen en procedures die het trustkantoor moet hanteren om de bedrijfsprocessen en de bedrijfsrisico’s beheersbaar te maken en die de integriteit van het trustkantoor moeten waarborgen. Daarbij is de gedachte dat een organisatie die zelf intrinsiek integer is minder geneigd zal zijn om cliënten te accepteren die dat niet zijn.

§3.2.3. Rechtsvorm en minimaal twee beleidsbepalers

Ter bevordering van de professionaliteit worden tevens eisen aan de rechtsvorm van een trustkantoor gesteld. Trustkantoren worden verplicht de rechtsvorm van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een Europese naamloze vennootschap te hebben.[15] Met de voorgestelde verplichting wordt het niet langer mogelijk voor natuurlijke personen, stichtingen of verenigingen om trustdiensten te verlenen. In de praktijk is gebleken dat trustkantoren die een van voornoemde rechtsvormen hebben over het algemeen beter in staat zijn om de eisen van de Wtt ten aanzien van de integere bedrijfsvoering, de administratieve organisatie en de interne controle te implementeren. Daarnaast is de continuïteit van een trustkantoor gebaat bij de vennootschapsrechtelijke waarborgen die gelden voor de genoemde rechtsvormen. Overigens voldoet het overgrote deel van de trustkantoren aan deze eis.

Voorts wordt met dit wetsvoorstel een tweehoofdige dagelijkse leiding verplicht gesteld. Deze eis strekt tot het waarborgen van de continuïteit en kwaliteit van de uitoefening van het bedrijf van trustkantoor en de trustdienstverlening. Er bestaat een verhoogd risico op het niet naleven van wet- en regelgeving bij trustkantoren met een eenhoofdige dagelijkse leiding. De meeste trustkantoren hebben geen toezichthoudend orgaan. Een tweehoofdige leiding bevordert in het algemeen en zeker in die gevallen een goede governance. Dit wetsvoorstel regelt daarom een verplichting tot het hebben van ten minste twee dagelijks beleidsbepalers. Een zelfde verplichting geldt op grond van de Wft reeds voor verschillende financiële instellingen.[16] De twee verplichte dagelijks beleidsbepalers moeten hun taken vanuit Nederland verrichten. Dit vereiste stelt DNB in staat om beter en effectiever toezicht te houden, doordat indien nodig frequent en intensief contact kan plaatsvinden tussen de dagelijks beleidsbepalers van het trustkantoor en DNB.

§3.2.4. Verplichte interne compliancefunctie

Met het onderhavige wetsvoorstel wordt voorzien in een verbod op het uitbesteden van de compliancefunctie door trustkantoren. Op grond van artikel 7, zesde lid, van de Rib Wtt 2014 was het trustkantoren nog expliciet toegestaan deze functie uit te besteden. Met het verbod wordt beoogd de invulling van de wettelijk verplichte compliancefunctie door trustkantoren te verbeteren. Dit sluit aan bij de bevindingen van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies.

Het verbod sluit ook aan bij constateringen van DNB.[17] Gebleken is dat de invulling van de compliancefunctie in een groot aantal gevallen tekort schiet. In de gevallen waarin door een trustkantoor een externe compliance officer was ingeschakeld, heeft DNB meermaals geconstateerd dat de daadwerkelijke uitoefening van deze functie tekort schoot of zelfs achterwege bleef. De controles door de externe compliance officer vonden in deze gevallen niet, te weinig, of slechts op verzoek van het trustkantoor plaats, bijvoorbeeld in de aanloop naar een onderzoek door DNB. Voor een effectieve uitoefening van de compliancefunctie en het bewaken van een geïnternaliseerde integriteitscultuur is het van belang dat de compliancefunctionaris zich pro-actief opstelt en doorlopend in staat is zijn werkzaamheden op effectieve wijze in te vullen.

§3.3. Verbeteren cliëntenonderzoek en onafhankelijke beoordeling

§3.3.1. Inleiding

Het cliëntenonderzoek voorafgaand aan en gedurende de dienstverlening door een trustkantoor strekt ertoe te achterhalen of de dienstverlening niet wordt misbruikt voor het witwassen van geld, terrorismefinanciering of andere contra legem gedragingen danwel gedragingen die in het maatschappelijk verkeer als onbetamelijk moeten worden aangemerkt. De resultaten van dit onderzoek zijn aangescherpt en verduidelijkt, daarnaast zijn aanvullende maatregelen getroffen voor de dienstverlening aan structuren met inherent hoge integriteitrisico’s en is de onafhankelijke beoordeling van cliënten bevorderd met een verbod om aan een cliënt zowel belastingadvies als trustdiensten te verlenen.

§3.3.2. Cliëntenonderzoek

Trustkantoren verrichten cliëntenonderzoek om te voorkomen dat hun dienstverlening wordt misbruikt voor, bijvoorbeeld, het witwassen van geld of het financieren van terrorisme. Hoewel op grond van de Wwft ook financiële ondernemingen en personen die bepaalde beroepsactiviteiten verrichten verplicht zijn dergelijk cliëntenonderzoek te verrichten, gelden er voor trustkantoren al op grond van de Wtt aanvullende verplichtingen. Hierbij is rekening gehouden met de bijzondere aard van de dienstverlening van trustkantoren en de hoge integriteitrisico’s die daaraan zijn verbonden. Daarom strekt het cliëntenonderzoek door een trustkantoor zich niet alleen uit tot de cliënt, maar tevens tot de overige bij trustdienstverlening betrokken partijen, zoals een doelvennootschap, een trust of partijen die betrokken zijn bij de verkoop van een rechtspersoon. Ten aanzien van de reeds bestaande verplichtingen aan het cliëntenonderzoek worden met dit wetsvoorstel een aantal wijzigingen doorgevoerd.

In de eerste plaats zijn, vanwege het zwaarwegende belang van het cliëntenonderzoek, de regels hieromtrent vanuit de Rib Wtt 2014 overgebracht naar het niveau van de wet. Voorts zijn de cliëntenonderzoeksvoorschriften per trustdienst bepaald. Welk onderzoek precies nodig is om misbruik van trustdienstverlening te voorkomen, hangt af van de aard van de dienstverlening en de verhouding tussen het trustkantoor en de bij die dienstverlening betrokken partijen. Die verhouding verschilt per trustdienst, naar gelang bij de dienstverlening bijvoorbeeld een doelvennootschap, een trust of een doorstroomvennootschap is betrokken.

De Rib Wtt 2014 biedt, conform de systematiek van de Wwft, ruimte voor een risicogebaseerde benadering bij het verrichten van cliëntenonderzoek. De intensiteit van de cliëntenonderzoeksmaatregelen wordt daarbij afgestemd op het risico dat een bepaald type cliënt, relatie of trustdienst met zich brengt. Met dit wetsvoorstel wordt het verrichten van het cliëntenonderzoek meer ingevuld. Zo is er met het oog op de inherent hoge integriteitrisico’s die zijn verbonden aan het verlenen van trustdiensten, voor gekozen om voor elk aspect van het cliëntenonderzoek een wettelijk bepaald resultaat voor te schrijven. Slechts voor de onderdelen van het cliëntenonderzoek die naar hun aard niet kunnen leiden tot vaststelling met zekerheid wordt een inspanningsverplichting voorgeschreven. Deze inspanningsverplichting strekt ertoe dat de voorgeschreven informatie, zowel voorafgaand aan een zakelijke relatie, als gedurende de looptijd daarvan, zoveel mogelijk met zekerheid wordt vastgesteld.

Met het op deze wijze expliciteren van de verschillende cliëntenonderzoeksmaatregelen per trustdienst wordt beoogd de verplichting tot het verrichten van cliëntenonderzoek voor trustkantoren verder te verduidelijken en de naleving te bevorderen. Om deze redenen zijn ook de verplichtingen inzake het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek nader uitgewerkt.

De achtergrond van het onderzoek naar de UBO is altijd geweest om feitelijk te achterhalen wie het belang heeft. Dit is in dit wetsvoorstel geëxpliciteerd door te bepalen dat een trustkantoor niet alleen onderzoek moet verrichten naar de formele zeggenschapstructuur, maar ook naar de feitelijke zeggenschapstructuur van de cliënt en de doelvennootschap. De formele zeggenschapsstructuur heeft betrekking op statutaire voorzieningen, waaronder de verdeling van stemrechten over aandeelhouders. Bij feitelijke zeggenschap is te denken aan invloed, al dan niet op grond van contractuele bepalingen zoals voorwaarden in verband met een lening. Voor het onderzoek naar de feitelijke zeggenschapsstructuur geldt een inspanningsverplichting, nu voorstelbaar is dat dergelijke zeggenschap niet altijd met zekerheid is vast te stellen bij het aangaan van de zakelijke relatie.

Ter implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn wordt in de Wwft een andere invulling gegeven aan het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ en het begrip ‘politiek prominente persoon’ (PEP). Voorgesteld wordt om in het onderhavige wetsvoorstel bij deze begripsomschrijvingen te voorzien in een verwijzing naar de Wwft, zodat de gewijzigde definities op die wijze ook in het onderhavige wetsvoorstel tot uitdrukking komen. Deze wijzigingen werken door in het cliëntenonderzoek. Zo zullen trustkantoren, door de wijzigingen van de begripsomschrijving van PEP, in meer gevallen verscherpt cliëntenonderzoek moeten verrichten. Op dit punt vormt het onderhavige wetsvoorstel een implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn.

Tot slot is in het kader van het cliëntenonderzoek voorzien in een beperking van de mogelijkheid voor trustkantoren om te vertrouwen op het cliëntenonderzoek, verricht door een andere instelling. In lijn met het voorgestelde verbod op het verlenen van belastingadvies en trustdiensten door hetzelfde trustkantoor of binnen dezelfde groep, wordt bepaald dat een trustkantoor, anders dan in de Wwft is geregeld voor de overige Wwft-instellingen, geen zakelijke relatie kan aangaan op basis van een cliëntenonderzoek dat is verricht door een accountant, advocaat, notaris of belastingadviseur. Hiermee wordt beoogd een onafhankelijk onderzoek door het trustkantoor naar de cliënt en het doel en de aard van de beoogde trustdienstverlening, te bevorderen.

§3.3.3. Maatregelen voor dienstverlening aan structuren met hoog risico

Een trustkantoor is verplicht om zowel voorafgaand als gedurende een zakelijke relatie te onderzoeken of aan diens dienstverlening integriteitrisico’s zijn verbonden. Het trustkantoor moet daarvoor bijvoorbeeld te allen tijde bekend zijn met de identiteit van de UBO(‘s), het doel van zijn dienstverlening en de transacties van de doelvennootschap. Bij bepaalde structuren van rechtspersonen of vennootschappen is het niet eenvoudig om deze informatie tijdig en accuraat te achterhalen. Dit levert hoge integriteitrisico’s op als een trustkantoor desalniettemin besluit om over te gaan tot het verlenen van diensten. Concreet zijn drie situaties in beeld, waarbij dienstverlening aan een structuur met bepaalde kenmerken, zonder aanvullende adequate maatregelen ter mitigatie, onevenredig hoge integriteitrisico’s met zich brengen. Deze kenmerken zijn dat in de structuur zich een rechtspersoon of vennootschap bevindt die niet in een handelsregister is ingeschreven, een structuur waarbij een Nederlandse doelvennootschap operationele activiteiten in het buitenland verricht en tot slot de betrokkenheid van een trustkantoor bij een structuur die eindigt in een trust, waarbij de mogelijkheid bestaat om de begunstigde van de trust te wijzigen. Voor dienstverlening aan die structuren kent het wetsvoorstel verplichtingen om de grootste integriteitrisico’s te beperken en tegelijkertijd aanvullingen in het cliëntenonderzoek om een beoordeling van de integriteitrisico’s te verbeteren.

Allereerst is in het wetsvoorstel een verplichting opgenomen om te controleren of ten aanzien van een doelvennootschap of ander relevant onderdeel van de groep waar de doelvennootschap toe behoort, is voldaan aan een plicht tot inschrijving in het Handelsregister of een daarmee vergelijkbaar buitenlands register. Deze plicht moet verhulling door gebruik van rechtspersonen of vennootschappen die onbekend zijn bij autoriteiten tegengaan. De controle levert het trustkantoor informatie op over het bestaan van een mogelijke plicht voor de betrokken rechtspersonen of vennootschappen tot inschrijving in een register en of aan deze plicht voldaan is. Het niet voldoen aan een inschrijvingsplicht kan naast het overtreden van de desbetreffende wettelijke plicht ook een indicatie zijn dat de dienstverlening integriteitrisico’s met zich brengt. Van het trustkantoor wordt verwacht dat deze geen diensten verleent voordat aan een inschrijvingsplicht is voldaan. In het dossier moet het trustkantoor een document hebben waaruit de inschrijving van de desbetreffende rechtspersonen of vennootschappen blijkt of dat is geconstateerd dat voor de desbetreffende rechtspersoon of vennootschap geen inschrijvingsplicht in het land van de zetel geldt. In het geval voor de rechtspersoon of juridische entiteit geen inschrijvingsplicht geldt, kan het in het bijzonder van belang zijn dat een trustkantoor achterhaalt wat het doel van de dienstverlening is en wat de reden is dat die rechtsfiguur in dat land wordt gebruikt. Het trustkantoor moet zich realiseren dat de gekozen rechtsfiguur niet bekend is bij de desbetreffende autoriteiten en dus verhullende doeleinden kan hebben.

Ten tweede kent het wetsvoorstel een plicht om te zorgen dat een trustkantoor in staat is gedurende de zakelijke relatie een voortdurende controle op die relatie uit te kunnen oefenen. Het cliëntenonderzoek is een voortdurend proces en eindigt niet na aanvaarding van de cliënt. Dit geldt in het bijzonder voor de verplichting om de transacties te monitoren. Deze informatie is van belang voor informatie over de doelvennootschap, diens integriteitrisicoprofiel en transactieprofiel. Als een trustkantoor niet in staat is de transacties te controleren dan moet het de zakelijke relatie beëindigen. Het instellen van adequate mitigerende maatregelen voor het monitoren van transacties is in het bijzonder van belang bij doelvennootschappen met zetel in Nederland, waarbij operationele activiteiten, bijvoorbeeld middels een vaste inrichting of een bijkantoor in het buitenland worden verricht. Gezien de afstand tot die buitenlandse activiteiten is het voor een trustkantoor als bestuurder van de doelvennootschap in beginsel lastiger om inzicht te hebben in de activiteiten. Dit geldt zeker als bij de activiteiten transacties in andere valuta aan de orde zijn of als transacties in contante middelen worden gedaan. Het risico van misbruik van de doelvennootschap is in die gevallen hoog. Om te kunnen voldoen aan de verplichtingen in het wetsvoorstel wordt van doelvennootschappen in Nederland met buitenlandse activiteiten dan ook verwacht dat zij heldere procedures hebben om de zakelijke relatie en de bijbehorende transacties te kunnen controleren. Een zogenaamde ‘post-event’ invulling van de transactiemonitoringsverplichting is in dit geval niet goed voorstelbaar als adequate invulling.

Ten derde zijn bijzondere verplichtingen geregeld voor het vaststellen van de begunstigde van een trust- of anderszins afgescheiden vermogen. Een groot aantal structuren dat door trustkantoren wordt bediend, eindigt in een dergelijke trust of daarmee vergelijkbaar juridisch arrangement. Bij deze figuur wordt er uiteindelijk door de trust een uitkering gedaan aan één of meerdere begunstigden. Er zijn vele varianten van trusts, zowel qua aard en inhoud als specifieke kenmerken per jurisdictie waar deze kunnen worden opgesteld (veelal in landen behorend of behorende bij het Gemenebest der Naties). Met vergelijkbare juridische arrangementen kan (niet uitputtend) worden gedacht aan een Curaçaose Stichting Particulier Fonds, een Nederlandse Stichting Administratiekantoor, Germaanse Treuhand, Franse Fiducie of Latijnse Fideicomiso.

Er zijn allerlei opties denkbaar voor zowel voor de wijze en het moment van uitkering door een trust als de begunstigde van een trust. Zo is bij de instelling van sommige trusts de begunstigde niet specifiek bepaald. Dit heeft vaak legitieme doelen, zoals bij trusts voor goede doelen waar alleen de bestemming is opgenomen of bij familietrusts waarbij de uitkering aan nazaten plaatsvindt. Echter, het niet specificeren van de begunstigde van een trust kan ook verhulling tot doel of effect hebben. Het is daarom van belang dat een trustkantoor voor aanvang van en gedurende de zakelijke relatie zoveel mogelijk met zekerheid op de hoogte is en blijft van de identiteit van de begunstigde. Bij uitkering van het trustvermogen moet het trustkantoor in ieder geval zekerheid over de begunstigde(n) hebben. Om dit te bereiken regelt het wetsvoorstel dat voor zover op voorhand de identiteit van de begunstigde niet bekend is, het trustkantoor op de hoogte moet zijn van de specifieke inkadering waarbinnen op enig moment begunstigden kunnen worden aangewezen. Het is dus niet toegestaan dienstverlening te verrichten ten behoeve van een trust waarbij geheel open staat wie de begunstigde zal zijn. Voldoende specifieke inkadering van de begunstigden impliceert dat een trustkantoor in ieder geval voldoende kennis moet hebben om te kunnen beoordelen of de dienstverlening misbruikt kan worden. Voldoende specifiek is bijvoorbeeld de situatie dat een groep is benoemd waarbinnen de uitkering plaats zal vinden en het trustkantoor in staat is de personen in die groep te identificeren. Hierbij kan gedacht worden aan familie of een limitatieve opsomming van natuurlijke personen. Het trustkantoor moet er daarnaast voor zorgen dat hij voorafgaand aan de uitkering op de hoogte is van de identiteit van de definitieve begunstigde. Hij moet deze informatie tijdig hebben zodat hij de persoon kan identificeren en beoordelen alvorens de uitkering vanuit de trust plaatsvindt. Dat is nodig voor het trustkantoor om te voorkomen dat het betrokken raakt bij een uitkering met een onwenselijk effect zoals de materialisatie van een integriteitrisico.

Daarnaast zijn in het wetsvoorstel de integriteitrisico’s beperkt die kunnen ontstaan door wijziging van de begunstigde van een trust. Bij veel trustvarianten bestaat de mogelijkheid om een aangewezen begunstigde op een later moment te wijzigen. Feitelijk kan hiermee de UBO lange tijd buiten beeld blijven. Zeker als een wijziging vlak voor de uitkering van middelen plaats vindt, kan de dienstverlening van het trustkantoor worden misbruikt. Dit kan niet alleen tot integriteitrisico’s leiden, maar het kan er ook toe leiden dat het trustkantoor niet aan diens verplichting tot het melden van ongebruikelijke transacties op grond van artikel 16 van de Wwft kan voldoen. Daarom is het in het geval van dienstverlening aan trusts voorgeschreven dat het trustkantoor ervoor zorgt dat deze altijd tijdig op de hoogte wordt gesteld van elke wijziging in de begunstigden van de trust. Deze wijziging moet in ieder geval 30 dagen voorafgaand aan het doorvoeren van de wijziging bij het trustkantoor bekend zijn. Deze termijn geeft het trustkantoor de gelegenheid tot het verrichten van een adequate controle op de identiteit van de begunstigde. Een termijn van 30 dagen wordt als redelijk gezien om (de identiteit van) de UBO te beoordelen. In de praktijk betekent dit dat het trustkantoor een contractuele afspraak met de cliënt zal moeten maken dan wel met de insteller van de trust, zodat het trustkantoor altijd tijdig op de hoogte wordt gesteld van iedere wijziging in de begunstigde.

§3.3.4. Verbod belastingadvies en trustdienstverlening aan dezelfde cliënt

Het wetsvoorstel kent een verbod om een trustdienst te verlenen aan een cliënt, als die trustdienst uitvoering geeft aan een belastingadvies dat aan diezelfde cliënt is verstrekt. Het gaat dan om belastingadvies van het trustkantoor zelf of door een persoon of vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep als het trustkantoor. Hiermee wordt beoogd de onafhankelijke uitvoering van het cliëntenonderzoek door het trustkantoor, voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie of het verlenen van een trustdienst, te waarborgen en belangenverstrengeling te voorkomen.

In de praktijk is gebleken dat trustdiensten worden verleend in gevallen waarin integriteitrisico’s onvoldoende beheerst konden worden. Dit kwam vooral naar voren bij de combinatie van trustdienstverlening en het verstrekken van belastingadvies door aan het trustkantoor verbonden belastingadviseurs, accountants, fiscalisten of fiscaal georiënteerde advocaten. Ook in de bevindingen van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies is dit aan de orde gesteld.[18]

Voor trustkantoren gelden verscherpte integriteitvereisten. Hoewel de Wwft van toepassing is op belastingadviseurs, accountants, fiscalisten of fiscaal georiënteerde advocaten, zijn de in de wet gestelde normen voor deze partijen niet gelijk aan de normen voor trustkantoren uit het onderhavige wetsvoorstel. Zo zijn belastingadviseurs niet gebonden aan dezelfde vereisten voor het beheersen van integriteitrisico’s. Een trustkantoor is verplicht te reflecteren op de maatschappelijke betamelijkheid van zijn dienstverlening. Dit volgt uit de definitie van integriteitrisico en de verplichting deze integriteitrisico’s te beheersen. Een adequate beoordeling van de integriteitrisico’s bij het aangaan van een zakelijke relatie of het verlenen van een trustdienst, alsmede een afweging van de mogelijkheden om de geconstateerde integriteitrisico’s te beheersen, vergt een bepaalde mate van onafhankelijkheid van het trustkantoor. Deze onafhankelijkheid is in het geding indien trustkantoren trustdiensten verlenen naar aanleiding van een belastingadvies dat door hetzelfde trustkantoor, dan wel door een entiteit binnen dezelfde groep als het trustkantoor, is gegeven. Het directe effect van het verbod is dat het niet meer mogelijk is voor trustkantoren (en anderen binnen dezelfde groep) om eerst te adviseren over de opzet van een fiscaal gunstige structuur en vervolgens deze structuur op te zetten en te beheren. De scheiding van deze activiteiten waarborgt een onafhankelijke afweging van de integriteitrisico’s en mogelijke beheersmaatregelen bij het verlenen van trustdiensten.

Het verbod ziet op “het uitvoering geven aan belastingadvies”. Essentie hiervan is dat er geen direct verband mag zijn tussen het geven van een advies en het verlenen van trustdiensten aan dezelfde cliënt. Het geven van uitvoering moet zo gelezen worden dat er gevolg wordt gegeven aan een advies. Dit hoeft niet op alle aspecten van het advies te zien of geheel overeen te komen met hetgeen in het advies is opgenomen; “uitvoering geven aan” moet in die zin breed opgevat worden. Deze notie is van belang om omzeiling van het verbod te voorkomen door een advies niet geheel uit te voeren.

Belastingadvies moet onderscheiden worden van belastingaangifte. Het verrichten van een aangifte valt niet onder het verbod en kan zelfs een trustdienst zijn. Het verschil tussen aangifte en advies is dat belastingadvies in de zin van dit wetsvoorstel betrekking heeft op het geven van advies over de opzet, inrichting en werking van structuren van rechtspersonen en vennootschappen gericht op de toepassing van belastingrecht, terwijl de aangifte met daarmee verband houdende werkzaamheden ziet op het administratieve proces van gegevensuitwisseling met een fiscale autoriteit achteraf, van een al bestaande structuur.

§3.4. Uitbreiding toezicht- en handhavingsinstrumentarium

§3.4.1. Inleiding

Op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn is het noodzakelijk dat het instrumentarium bij het toezicht op het cliëntenonderzoek door trustkantoren wordt aangevuld. Deze aanvullende bevoegdheden worden ook van toepassing verklaard op de aanvullende nationale regels voor trustkantoren. Verder zijn de bevoegdheden van DNB om overtredingen en sancties te publiceren in lijn gebracht met de Wft en is de informatiedeling uitgebreid.

§3.4.2. Handhavingsbevoegdheden

De vierde anti-witwasrichtlijn verplicht lidstaten om een aantal sanctiebevoegdheden te regelen. Een nieuwe bevoegdheid daarbij is dat de toezichthouder indien daar aanleiding toe is personen moet kunnen verbieden beleidsbepalende functies te vervullen. De Wft kent deze bevoegdheid al. Voor de formulering van het beroepsverbod is aangesloten bij die bepaling. Het gaat om een tijdelijk verbod om een beleidsbepalende functie te bekleden bij een trustkantoor of een instelling als bedoeld in de Wwft. Het verbod geldt voor een jaar en kan eenmaal met een jaar worden verlengd.

Verder vereist de vierde anti-witwasrichtlijn dat de toezichthoudende autoriteit boetes van een bepaalde hoogte moet kunnen opleggen, evenals een omzetgerelateerde en een voordeelgerelateerde boete. Om hieraan te voldoen zijn de bedragen van de boetes aangepast. De Wtt kende al een voordeelgerelateerde boete, met het onderhavige voorstel is hier een omzetgerelateerde boete aan toegevoegd.

Tot slot is een aanwijzingsbevoegdheid geregeld die op alle voorschriften in het wetsvoorstel ziet. Op grond van deze bevoegdheid kan DNB bij overtreding van voorschriften de overtreder een aanwijzing geven die een bepaalde gedragslijn inhoudt. De overtreder is verplicht deze gedragslijn te volgen. De aanwijzing heeft tot doel te zorgen dat de betrokkene voldoet aan de wettelijke verplichtingen.

De voorschriften in dit voorstel beogen in gezamenlijkheid de integriteit van het financiële stelsel te waarborgen, waarbij het cliëntenonderzoek een van de onderdelen vormt. Tegen deze achtergrond zijn de bevoegdheden toegekend voor de handhaving van zowel de verplichtingen rond het cliëntenonderzoek als de overige verplichtingen op grond van dit wetsvoorstel. Voor een effectieve handhaving is het van belang dat het instrumentarium op alle overtredingen van de integriteitvoorschriften ziet.

§3.4.3. Publicatiebevoegdheden

Het wetsvoorstel kent enkele gronden voor publicatie door DNB. Het gaat allereerst om het publiceren van formele maatregelen. Buiten het feit dat Europese wetgeving deze bevoegdheid voorschrijft, wordt de generaal preventieve werking die uitgaat van de publicatie van formele maatregelen als wenselijk beschouwd. Daarnaast is geregeld dat DNB bij een overtreding een verklaring kan publiceren als de overtreding beboetbaar is met een bedrag in de tweede of derde boetecategorie. Verder kan DNB een overtreding met de naam van de overtreder publiceren als dit noodzakelijk is om schade te voorkomen of te beperken.

Bij de publicatiebevoegdheden in dit wetsvoorstel is aansluiting gezocht bij de regelingen hiervoor in de Wft op grond waarvan DNB deze bevoegdheden al kent.[19] Op deze wijze heeft DNB zoveel mogelijk voor al haar taken een gelijk instrumentarium. In verband met de publicatiebevoegdheden is hierbij nog relevant om te melden dat de vierde anti-witwasrichtlijn geen geheimhoudingsverplichting voor toezichthouders kent.

§3.4.4. Informatie uitwisseling

De Wtt kent een algemene regeling voor het verstrekken van informatie door de toezichthouder aan binnen- en buitenlandse overheidsinstanties. In dit wetsvoorstel is de formulering van die regeling aangepast om de reikwijdte te verduidelijken.

Daarnaast is voorzien in een specifieke regeling voor het verstrekken van informatie aan de bevoegde autoriteit die is belast met de uitvoering van een regeling op grond van de Sanctiewet 1977. In beginsel zal dit de Minister van Financiën zijn, als bevoegde autoriteit voor het verlenen van een ontheffing voor het vrijgeven van bevroren tegoeden. In de gevallen waarin een trustkantoor om een dergelijke ontheffing vraagt, kan afstemming tussen de Minister van Financiën en DNB, als toezichthouder op trustkantoren, aangewezen zijn. Voor het verstrekken van gegevens op deze basis gelden niet de beperkingen die zijn gesteld in de algemene regeling voor het uitwisselen van gegevens. Tot die beperkingen behoort onder meer de voorwaarde dat het beoogde gebruik van de te verstrekken informatie dient te passen binnen het kader van het toezicht op trustkantoren of de (personen of vennootschappen werkzaam op) de financiële markten. In deze gevallen kunnen er dus tevens gegevens worden uitgewisseld die in verband staan met de ontheffingsaanvraag.

§4. Verhouding tot andere wet- en regelgeving

Naast de regels ingevolge de Wtt gelden ook op grond van andere wetgeving regels voor trustkantoren. In relatie tot de toepassing van dit wetsvoorstel zijn vooral de Wwft en de Sanctiewet 1977 relevant. In verband met de regels ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering wordt in dit hoofdstuk specifiek stilgestaan bij de vierde anti-witwasrichtlijn.

§4.1. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Naast de Wtt is ook de Wwft op trustkantoren van toepassing, zij het met uitzondering van de bepalingen inzake het (eventueel vereenvoudigd of verscherpt) cliëntenonderzoek (artikelen 3 tot en met 10 van de Wwft). De Wtt en dit wetsvoorstel als opvolger daarvan voorzien in een specifiek regime voor het cliëntenonderzoek door trustkantoren.

Op grond van de Wwft geldt voor trustkantoren de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU. Het melden van ongebruikelijke transacties is van belang in verband met de bestrijding van witwassen en terrorismefinancieringen in verband met de integere en beheerste bedrijfsvoering van trustkantoren. Daarnaast is deze verplichting van groot belang gezien de omvang van en het aantal transacties dat door trustkantoren verwerkt wordt. Het niet naleven van de verplichting tot het melden van ongebruikelijke transacties kan op grond van de Wwft worden gesanctioneerd. Daarnaast kan het niet naleven van de Wwft onder omstandigheden zelfs aanleiding vormen om de vergunning van een trustkantoor in te trekken op grond van het onderhavige wetsvoorstel, hetgeen rechtstreeks uit de vierde anti-witwasrichtlijn volgt.[20]

§4.2. De vierde anti-witwasrichtlijn

Op 20 mei 2015 is de vierde anti-witwasrichtlijn aangenomen. Dit is de vierde richtlijn waarmee op Europees niveau wordt beoogd de dreiging van witwassen en financieren van terrorisme aan te pakken. Deze vierde anti-witwasrichtlijn beoogd tevens de internationale standaard (40 aanbevelingen van de FATF) voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering te integreren.Ook trustkantoren vallen binnen de reikwijdte van de vierde anti-witwasrichtlijn, die onder meer voorziet in bepalingen met betrekking tot het verrichten van cliëntenonderzoek, het melden van ongebruikelijke transacties, de totstandkoming van een risicobeoordeling en toezicht en handhaving.

In de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn wordt hoofdzakelijk voorzien met het wetsvoorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn. Dat wetsvoorstel leidt vooral tot wijzigingen van de Wwft. Voor zover de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn wijzigingen met zich brengt voor de verplichtingen voor trustkantoren inzake het cliëntenonderzoek (en de in dat verband relevante begripsomschrijvingen), alsmede voor de bevoegdheden van de toezichthouder en het handhavingsinstrumentarium, wordt hier met het onderhavige wetsvoorstel in voorzien. Het is derhalve van belang om op te merken dat het onderhavige wetsvoorstel op onderdelen samenhangt met het wetsvoorstel ter implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn.

Voor een groot deel voldoet de Nederlandse wetgeving voor het verlenen van trustdiensten al aan de regels in de vierde anti-witwasrichtlijn. Goed voorbeeld daarvan is de plicht in artikel 47 van de richtlijn over het regelen van een vergunning- of registratieplicht voor trustkantoren. De Wtt kent deze vergunningplicht al. In dit wetsvoorstel is deze plicht overgenomen. Elk trustkantoor met zetel in Nederland of met zetel in een andere lidstaat, met bijkantoor in Nederland, moet beschikken over een vergunning van DNB. Ook trustkantoren met een zetel in een andere lidstaat zonder bijkantoor in Nederland, die trustdiensten naar Nederland verrichten, moeten over een vergunning van DNB beschikken, tenzij zij over een vergunning in hun eigen land beschikken en in dat land een gelijkwaardig beschermingsregime en toezicht daarop bestaat. In dat geval wordt het belang van een vergunning ondervangen en is het in het licht van het vrij verkeer van diensten niet gerechtvaardigd om een vergunning te eisen. Van belang is in dit verband dat op dit moment geen andere lidstaat een vergelijkbaar beschermingsregime kent. De eis van een vergunning staat overigens nog los van het voldoen aan de inhoudelijke normen in het wetsvoorstel. Als een trustkantoor met zetel in een andere lidstaat geen vergunning nodig zou hebben, dan gelden alle overige eisen nog wel onverkort voor het trustkantoor als deze trustdiensten naar Nederland verricht.

De vierde anti-witwasrichtlijn regelt minimumharmonisatie. Dit betekent dat op nationaal niveau verdergaande regels gesteld kunnen worden. Dit is het geval voor trustkantoren. De eisen aan zowel de organisatie van trustkantoren zelf als aan het cliëntenonderzoek dat zij moeten verrichten, gaan op onderdelen verder dan de richtlijn eist. Deze verdergaande regels zijn gerechtvaardigd gezien de omvangrijke trustsector in Nederland en de inherent hoge risico’s op witwassen en het financieren van terrorisme, die aan de dienstverlening zijn verbonden. Het voorkomen van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme is te kwalificeren als een dwingende reden van algemeen belang. De nadere regels maken verder geen onderscheid naar plaats van vestiging. Bij enkele voorschriften waar dit wel het geval zou zijn, is een uitzondering gemaakt voor trustkantoren met zetel in een andere lidstaat (rechtsvorm van trustkantoor en beleidsbepalers die in Nederland moeten werken).

§4.3. De Sanctiewet 1977

De Sanctiewet 1977 vormt een belangrijk onderdeel van het relevant wettelijke kader voor trustkantoren. Naleving van deze wet vormt om die reden dan ook een onderdeel van de normen voor de beheerste en integere bedrijfsvoering. Het niet naleven van de Sanctiewet 1977 kan aanleiding vormen om de vergunning van een trustkantoor in te trekken (vgl. artikel 7 van het onderhavige wetsvoorstel).

Met Raadsbesluiten, Europese verordeningen en de Sanctiewet 1977 en onderliggende regelgeving worden internationale sancties in Nederland tot uitvoering gebracht. In relatie tot trustkantoren zijn vooral de financiële sancties van belang. Door naleving van de normen in dit wetsvoorstel wordt grotendeels voldaan aan de eisen die de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 stelt aan het systeem van administratieve organisatie en interne controle. Verder strekt het cliëntenonderzoek ertoe dat een trustkantoor een goed beeld heeft van al zijn relaties in de zin van de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 en dat dienstverlening in strijd met de Sanctiewet 1977 en internationale sancties wordt voorkomen.

§5. Gegevensbescherming

Het voorkomen van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen of financieren van terrorisme wordt erkend als een zwaarwegend, algemeen belang in de zin van de regelgeving inzake bescherming van persoonsgegevens. Een zwaarwegend, algemeen belang maakt het mogelijk om, onder strikte voorwaarden, uitzonderingen te maken op bepaalde verboden en geboden ter bescherming van persoonsgegevens. In de vierde anti-witwasrichtlijn, waar het onderhavige wetsvoorstel gedeeltelijk een implementatie van is, wordt hier nadrukkelijk aandacht aan besteed. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de richtlijn is de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van de vierde anti-witwasrichtlijn, bijvoorbeeld in het kader van het cliëntenonderzoek, onderworpen aan richtlijn 95/46/EG.[21] Op 25 mei 2018 treedt de Algemene verordening gegevensbescherming in werking, die deze richtlijn heeft vervangen.[22] Tot die tijd geldt in Nederland de Wet bescherming persoonsgegevens.

Het onderhavige wetsvoorstel brengt ten opzichte van de huidige wet- en regelgeving voor (het toezicht op) trustkantoren slechts beperkt wijzigingen met zich die betrekking hebben op gegevensbescherming. De verschillende verwerkingen van persoonsgegevens op grond van het onderhavige wetsvoorstel zijn voor het grootste deel reeds onderdeel van de bestaande wettelijke verplichtingen voor trustkantoren. Deze verwerkingen kwalificeren als een verwerking op grond van een wettelijke verplichting, in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene verordening gegevensbescherming.

In het navolgende wordt stilgestaan bij de wijzigingen en de toetsing daarvan aan de beginselen van doelbegrenzing, noodzaak en evenredigheid.

§5.1. Persoonsgegevens in het kader van het cliëntenonderzoek

Trustkantoren verwerken persoonsgegevens in het kader van de verplichting om cliëntenonderzoek te verrichten. Ten opzichte van het huidig recht zullen trustkantoren verplicht zijn meer persoonsgegevens te verzamelen. Deze wijzigingen zijn een implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn. Zo zullen de wijzigingen in de definities van UBO en PEP met zich brengen dat er van meer mensen persoonsgegevens moeten worden verzameld. De aard van de persoonsgegevens die uit hoofde van het cliëntenonderzoek moeten worden verzameld, blijft echter ongewijzigd. De bewaartermijn van vijf jaar vanaf het moment dat een zakelijke relatie is beëindigd of een trustdienst is verleend, die geldt voor de persoonsgegevens die uit hoofde van het cliëntenonderzoek worden verzameld, blijft ongewijzigd. Na het verstrijken van deze termijn dienen de persoonsgegevens te worden vernietigd. Dit wordt verduidelijkt in het onderhavige wetsvoorstel.

Bij de totstandkoming van de vierde anti-witwasrichtlijn is overwogen dat het belang van het voorkomen van witwassen en financieren van terrorisme het verwerken van persoonsgegevens rechtvaardigt. De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats ter voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen en terrorismefinanciering. Zonder het verrichten van cliëntenonderzoek zou een effectieve bestrijding van witwassen en financieren van terrorisme niet mogelijk zijn. Ten einde signalen die duiden op onder meer witwassen of terrorismefinanciering, te kunnen herkennen, is het verwerven van kennis en informatie over de identiteit van een cliënt of UBO onmisbaar. Ook voor het functioneren van de (Nederlandse) opsporingsautoriteiten is deze informatie essentieel.

Tegelijkertijd dient het verwerken van persoonsgegevens beperkt te blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de naleving van de verplichtingen uit deze wet. Dit is ook uitdrukkelijk overwogen bij de totstandkoming van de vierde anti-witwasrichtlijnen komt terug in artikel 40 van onderhavig wetsvoorstel. Persoonsgegevens die zijn verzameld in het kader van het cliëntenonderzoek mogen door een trustkantoor niet verder worden verwerkt voor een doel dat onverenigbaar is met dit nalevingsdoel. Onderhavig voorstel heeft daarbij een breder doel ten opzichte van de vierde anti-witwasrichtlijn. Dit betekent dat het verwerken van persoonsgegevens die zijn verzameld uit hoofde van het cliëntenonderzoek op grond van dit voorstel kunnen worden verwerkt met het oog op het beheersen van integriteitrisico’s. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van witwassen, financieren van terrorisme en andere handelingen die in strijd zijn met de wet of als maatschappelijk onbetamelijk worden beschouwd.

§5.2. Publicatiebevoegdheden toezichthouders

Met het onderhavige wetsvoorstel worden nieuwe publicatiebevoegdheden toegekend aan DNB die onder omstandigheden kunnen strekken tot de publicatie van persoonsgegevens. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een besluit tot het opleggen van een formele maatregel informatie bevat over natuurlijke personen, zoals de bestuurders van een trustkantoor. De bevoegdheden zijn een resultaat van de afweging van het privacybelang van de betrokkene en de belangen van publicatie. De belangen die onder meer worden gediend met publicatie zijn het bevorderen van de naleving van de wetgeving en het tijdig informeren van het publiek om schade bij cliënten of potentiële cliënten van trustkantoren te voorkomen of te beperken. Daarnaast geeft publicatie inzicht in het handhavingsbeleid, dient publicatie ter verantwoording van het handelen van DNB en kan publicatie het vertrouwen in het toezicht en meer in het algemeen in het financiële stelsel versterken.

Tegelijkertijd wordt, om de inmenging in de persoonlijke levenssfeer zoveel mogelijk te beperken en om onrechtmatige inmenging in de persoonlijke levenssfeer te voorkomen, voorzien in diverse waarborgen. Het betreft onder meer de verplichting voor DNB om voorafgaand aan openbaarmaking een besluit te nemen strekkend tot openbaarmaking en dit aan de belanghebbende toe te sturen. Daarnaast geldt op grond van dit wetsvoorstel dat DNB voorafgaand aan de publicatie van een formele maatregel, een belangenafweging dient te maken. In voorkomende gevallen kan deze belangenafweging ertoe leiden dat een besluit geanonimiseerd, uitgesteld of niet openbaar kan worden gemaakt, omdat de openbaarmaking onevenredige gevolgen heeft. Ook kan DNB onder omstandigheden van publicatie afzien. Met deze belangrijke waarborgen wordt de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de publicatieverplichtingen en - bevoegdheden voor DNB, proportioneel geacht.

§5.3. Informatie uitwisseling trustkantoren

Het onderhavige wetsvoorstel voorziet in een verplichting voor trustkantoren om bij andere trustkantoren die eerder trustdiensten aan de betreffende cliënt hebben verleend navraag te doen naar geconstateerde integriteitrisico’s ten aanzien van een cliënt. Deze verplichting geldt bij aanvang van een zakelijke relatie en bij het verlenen van trustdiensten. Een trustkantoor dat verzoekt om deze informatie, dan wel reageert op een dergelijk verzoek om informatie, zal daarbij persoonsgegevens verwerken. Deze verplichting leidt derhalve tot een toename in de verwerking van persoonsgegevens.

Zoals ook in het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies tot uitdrukking komt, komt het in de praktijk voor dat een trustkantoor cliënten bedient die grote integriteitrisico’s met zich brengen en die om die reden eerder door een ander trustkantoor zijn afgewezen. Om te voorkomen dat trustdiensten worden verleend aan een cliënt waarvan eerder is overwogen dat daaraan onbeheersbare integriteitrisico’s zijn verbonden, is het uitwisselen van informatie over de integriteitrisico’s die een cliënt met zich brengt noodzakelijk. De uitwisseling van deze informatie vergroot de effectiviteit van de uitoefening van de poortwachterfunctie door trustkantoren. Het stelt trustkantoren in staat een goede beoordeling te maken van een verzoek tot dienstverlening. Dit belang weegt op tegen het privacybelang van de betrokkenen. In het wetsvoorstel is daarbij een specifieke grondslag opgenomen voor de verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Geconstateerde integriteitrisico’s kunnen verband houden met (vermoedens) van strafrechtelijke feiten. Deze gegevens kunnen aan de basis liggen van het weigeren van dienstverlening aan de cliënt. Als deze cliënt bij een ander trustkantoor vervolgens verzoekt om dienstverlening dan moet dat trustkantoor over de volledige informatie kunnen beschikken op basis waarvan het eerdere kantoor zijn afweging maakte. Het voor zichzelf verwerken van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard ter beoordeling van een verzoek tot dienstverlening valt al onder een wettelijke uitzondering in de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. Voor het delen van deze informatie met een ander trustkantoor is een afzonderlijke wettelijke grondslag nodig. De grondslag in dit wetsvoorstel is beperkt tot het voldoen aan de wettelijke plicht tot het informeren van een ander trustkantoor over gebleken integriteitrisico’s.

Gekeken is naar andere mogelijkheden om te bereiken dat trustkantoren op de hoogte zijn als andere trustkantoren cliënten hebben geweigerd of een zakelijke relatie hebben beëindigd vanwege integriteitrisico’s. Een alternatief dat hetzelfde doel zou bereiken en minder persoonsgegevens zouden hoeven verwerkt, was niet beschikbaar. Van belang voor cliënten is dat een trustkantoor gehouden is zijn cliënten over de wettelijke verplichting te informeren, voordat hij een zakelijke relatie aangaat of een trustdienst verleent. Hiermee wordt voorzien in een noodzakelijke waarborg ter bescherming van de betrokken persoonsgegevens, hetgeen voor de beoordeling van de proportionaliteit van deze maatregel van belang is. Verder is relevant dat de verplichting slechts ziet op integriteitrisico’s die na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn gebleken.

§6. Gevolgen voor het bedrijfsleven

Uit door DNB aangeleverde informatie blijkt dat er per 1 juli 2017 229 vergunninghoudende trustkantoren waren in Nederland. Het onderhavige wetsvoorstel brengt gevolgen met zich voor de nalevingskosten van deze trustkantoren. In het navolgende wordt toegelicht welke onderdelen van het wetsvoorstel gevolgen met zich brengen.

§6.1. Twee dagelijks beleidsbepalers en verplichte rechtsvorm

Voor een aantal trustkantoren zullen nalevingskosten voortvloeien uit de verplichting om over tenminste twee dagelijks beleidsbepalers te beschikken. In de praktijk heeft een ruime meerderheid van de vergunninghoudende trustkantoren reeds twee of meer dagelijks beleidsbepalers. Voor deze meerderheid van trustkantoren brengt de verplichting om twee beleidsbepalers aan te stellen derhalve geen additionele nalevingskosten met zich. Naar schatting van DNB zijn er thans nog ongeveer 30 trustkantoren waarbij slechts één persoon het dagelijks beleid van het trustkantoor bepaalt. Deze trustkantoren zullen hun bedrijfsvoering moeten wijzigen en een tweede persoon moeten aanstellen of aanwijzen die het dagelijks beleid van het trustkantoor zal bepalen.

De kosten van een tweede beleidsbepaler zullen per geval verschillen, afhankelijk van de aard en de omvang van het trustkantoor en de invulling van de functie van de tweede beleidsbepaler. In de meeste gevallen zal een oplossing binnen het bestaande personeelsbestand kunnen worden gevonden. In de situatie dat een trustkantoor naast één beleidsbepaler geen andere medewerkers heeft zal hiervoor een extra arbeidsplek moeten worden gecreëerd. Het bruto uurloon van een dagelijks beleidsbepaler ligt gemiddeld op € 91,- [23], zodat dit jaarlijks naar schatting € 189.280,- aan kosten met zich brengt (uitgaande van een 40-urige werkweek en 52 werkweken per jaar). In hoeverre trustkantoren daadwerkelijk met deze kosten geconfronteerd zullen worden, is afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt in de bedrijfsvoering.

De voorgestelde verplichting voor trustkantoren om de rechtsvorm van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, of Europese naamloze vennootschap te hebben, heeft slechts beperkt gevolgen voor de trustsector. Naar schatting van DNB, op basis van de bij haar beschikbare gegevens, voldoen op 1 juli 2017 drie trustkantoren niet aan dit vereiste. Hoewel de kosten die dit met zich brengt sterk afhangen van de huidige rechtsvorm en inrichting van het trustkantoor, wordt verwacht dat de eenmalige kosten voor een omzetting van de rechtsvorm in totaal per kantoor € 18.880,- bedragen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat bij de voorbereiding en totstandkoming van de nieuwe rechtsvorm zowel juridisch medewerkers, als bestuurders van het trustkantoor, alsmede een notaris betrokken zullen zijn. Uitgaande van een tijdsbesteding van 4 weken en een gemiddeld uurloon van de betrokken partijen van € 72,50, bedragen de kosten van deze werkzaamheden € 11.600,-.[24] Voorts wordt ingeschat dat de kosten voor de administratieve verwerking en het doorgeven van de nieuwe rechtsvorm aan de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst, waarbij zowel administratief medewerkers als juristen zullen zijn betrokken, € 7.280,- zullen bedragen.[25] Uitgaande van een drietal trustkantoren dat in een dergelijke omzetting dient te voorzien, zullen de nalevingskosten in totaal € 34.800,- bedragen.

§6.2. Integere en beheerste bedrijfsvoering

Het vereiste van een beheerste en integere bedrijfsvoering wordt bij algemene maatregel van bestuur nader uitgewerkt, zodat een precieze inschatting van de daadwerkelijke lasten en kosten bij het opstellen van deze lagere regelgeving zal worden meegenomen. Vast staat wel dat, als gevolg van de verscherpte eisen voor de beheerste en integere bedrijfsvoering, trustkantoren nieuw beleid en nieuwe procedures en maatregelen zullen moeten ontwikkelen en bijhouden. Voor een deel zullen dit beleid en deze procedures en maatregelen overlappen met hetgeen door trustkantoren in de huidige praktijk in het procedurehandboek wordt vastgelegd.

Daarop vooruitlopend wordt ingeschat dat de eenmalige kosten voor de totstandkoming van nieuw beleid en nieuwe procedures en maatregelen per trustkantoor € 2.160,- zullen bedragen. Het ontwikkelen van nieuw beleid, procedures en maatregelen zal tijdelijk aanvullende werkzaamheden vergen van, met name, de compliancefunctie. Daarbij wordt uitgegaan van een uurtarief van € 54,- en een tijdsbesteding van 40 uur voor het opstellen, afstemmen en implementeren van dit beleid en deze procedures en maatregelen. Uitgaande van de 229 vergunninghoudende trustkantoren, zal het totaal van deze eenmalige kosten € 494.640,- bedragen.

De kosten van het actueel houden van dit beleid en de daarop gebaseerde procedures en maatregelen zullen niet verschillen van de kosten die trustkantoren maken in het kader van de integere en beheerste bedrijfsvoering waarover zij naar huidig recht reeds moeten beschikken.

§6.3. Verbod op uitbesteding compliance functie

De meeste trustkantoren hebben zowel een interne als een externe compliance functie. Voor een aantal trustkantoren zullen er nalevingskosten voortvloeien uit het verbod op het uitbesteden van de compliance functie. Dit zal tot gevolg hebben dat deze trustkantoren een interne compliance functie dienen in te richten. Hoe hoog de totale nalevingskosten zullen zijn hangt af van de regels die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.

§6.4. Het cliëntenonderzoek

Het onderhavige wetsvoorstel wijzigt de verplichtingen inzake het verrichten van het cliëntenonderzoek en het vastleggen van gegevens verzameld uit hoofde van het cliëntenonderzoek (zie ook paragraaf 4.4). Deze wijzigingen leiden ertoe dat trustkantoren zorg dienen te dragen voor een herbeoordeling van de cliëntdossiers, ten einde na te gaan of het dossier voldoet aan de vereisten die ingevolge dit wetsvoorstel aan het cliëntenonderzoek worden gesteld. Het is aannemelijk dat een dergelijke herbeoordeling in veel gevallen zal leiden tot aanvullende werkzaamheden om de bestaande kennis over cliënten en doelvennootschappen te verbeteren, teneinde de integriteitrisico’s voldoende te ondervangen. Daarop zullen ook de gewijzigde definities van UBO en PEP van invloed zijn.

De betreffende werkzaamheden zullen primair worden verricht door personen belast met dienstverleningswerkzaamheden, zoals accountmanagers en commercieel medewerkers. Geschat wordt dat de kosten die gepaard gaan met het herbeoordelen en aanvullen van de cliëntdossiers per cliënt € 148,- zullen bedragen. Daarbij wordt uitgegaan van een gemiddeld uurloon van € 37,-.[26] Voorts wordt rekening gehouden met een divers scala aan werkzaamheden dat voort kan vloeien uit de herbeoordeling van het cliëntdossier, zoals bijvoorbeeld een nieuwe risicobeoordeling of het opvragen en vastleggen van aanvullende informatie. Om die reden wordt uitgegaan van een gemiddelde tijdsbesteding van 4 uur per cliënt. In het geval van een middelgroot trustkantoor met een cliëntenbestand van 100 cliënten, leidt dit tot nalevingskosten van € 14.800,- per trustkantoor. De totale nalevingskosten zullen, uitgaande van 229 vergunninghoudende trustkantoren, derhalve € 3.389.200,- bedragen.

In algemene zin geldt voor de kosten die inzake het cliëntenonderzoek door trustkantoren worden gemaakt naar aanleiding van het onderhavige wetsvoorstel, dat dit veelal kosten zijn die ook naar huidig recht reeds gemaakt hadden moeten worden om de aan een cliënt of doelvennootschap verbonden integriteitrisico’s te kunnen beheersen. Slechts voor het aanvullen van de informatie over UBO’s en PEP’s zal dit wetsvoorstel nalevingskosten met zich brengen die nieuw zijn ten opzichte van de huidige wet- en regelgeving.

De inspanningsverplichting die is voorgeschreven ten aanzien van enkele aspecten uit het cliëntenonderzoek zal ten opzichte van de huidige situatie geen meetbare extra kosten opleveren. De aspecten waarvoor de inspanningsverplichting geldt zijn niet nieuw en dienen nu ook reeds in beeld te zijn. De verwachte inspanning wordt in het wetsvoorstel nadrukkelijk omschreven en betreft een codificatie van de naleving van de cliëntenonderzoeksverplichtingen die naar huidig recht reeds wordt verlangd.

§6.5. Informatie uitwisseling tussen trustkantoren

Het wetsvoorstel voorziet tot slot in een verplichte informatie-uitwisseling tussen trustkantoren. Ook deze verplichting brengt nalevingskosten met zich. In de eerste plaats wordt van trustkantoren verlangd om te onderzoeken of aan een cliënt reeds eerder trustdiensten zijn verleend door een ander trustkantoor. Deze informatie zal in beginsel door het nemen van de vereiste cliëntenonderzoeksmaatregelen, waaronder een onderzoek naar het doel en de beoogde aard van de trustdienstverlening, naar voren komen. Om die reden brengt deze onderzoeksverplichting in beginsel geen aanvullende kosten met zich. Dit is anders voor zover het de verplichte uitwisseling van informatie over de aan een cliënt verbonden integriteitrisico’s betreft. De kosten van deze informatie uitwisseling volgen uit de tijd en inspanning die zijn gemoeid met het veilig opvragen en overdragen van de gegevens.

Ingeschat wordt dat de kosten die gepaard gaan met een informatieverzoek € 18,50 per cliënt zullen bedragen (uitgaande van een tijdsbesteding van 30 minuten per cliënt en een uurloon van € 37,-). Voorts wordt verwacht dat het overdragen van de verzochte informatie per cliënt gemiddeld één uur in beslag zal nemen, zodat de kosten per cliënt € 37,- zullen bedragen. Uitgaande van een middelgroot trustkantoor met een cliëntenbestand van 100 cliënten, wordt ingeschat dat bij 10% van het cliëntenbestand informatie moet worden opgevraagd bij een ander trustkantoor. De kosten hiervan zullen derhalve per trustkantoor € 462,50 bedragen en in totaal, uitgaande van 229 trustkantoren, € 105.912,50. Voor het verstrekken van informatie aan een ander trustkantoor wordt eveneens uitgegaan van 10 gevallen op jaarbasis. Dit zou leiden tot nalevingskosten van € 925,- per trustkantoor en tot totale nalevingskosten van € 211.825,-.

§7. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

DNB is als uitvoerder en toezichthouder van de regelgeving voor trustkantoren nauw betrokken bij de totstandkoming van dit voorstel. De wijzigingen die met dit voorstel worden doorgevoerd maken de handhaving effectiever en eenvoudiger. Zo zijn de eisen aan de rechtsvorm en de beleidsbepalers goed te controleren en zijn de eisen aan het cliëntenonderzoek verduidelijkt zodat DNB beter in staat zal zijn te controleren of het vereiste resultaat is bereikt. Verder zijn verplichtingen voor trustkantoren meer uitgeschreven zodat inzichtelijker is wat van een trustkantoor wordt verwacht en waar DNB op toeziet.

Ten aanzien van het nieuwe verbod om zowel belastingadvies te geven als trustdiensten aan dezelfde cliënt te verlenen, wordt nog het volgende opgemerkt. Wanneer een cliënt belastingadvies heeft ontvangen maakt dit onderdeel uit van het dossier van de cliënt bij het trustkantoor, omdat deze gegevens van belang zijn bij het bepalen van het doel van de structuur. Op basis hiervan kan DNB het verbod handhaven als vennootschappen en/of natuurlijke personen die het advies hebben gegeven in een aantoonbare (vennootschapsrechtelijke) relatie staan tot het trustkantoor.

Naast de inhoudelijke aanscherpingen van de verplichtingen waar DNB toezicht op moet houden, is ook het handhavingsinstrumentarium uitgebreid. DNB beschikt over de mogelijkheid om bij overtredingen al naar de situatie daarvoor geschikt is, een aanwijzing, last onder dwangsom of bestuurlijke boete op te leggen. Deze maatregelen zijn mogelijk voor alle overtredingen van de normen die ingevolge dit wetsvoorstel zijn gesteld. Voor de bestuurlijke boete zijn de maximumbedragen van de derde boetecategorie overeenkomstig de Wft verhoogd. Verder is een omzetgerelateerde boete (10 procent van de omzet, voor zover dit hoger is dan het maximum van de derde boetecategorie) en een voordeelgerelateerde boete (tweemaal het verkregen voordeel) geregeld. Daarnaast kan DNB bij overtredingen personen een tijdelijk beroepsverbod opleggen. In de artikelsgewijze toelichting wordt hier nader op ingegaan.

Naast deze bestuurlijke sancties zijn de mogelijkheden voor DNB uitgebreid om overtredingen en bestuurlijke sancties te publiceren. Voor de publicatiemogelijkheden is aangesloten bij de bevoegdheden in de Wft zoals deze in het wetsvoorstel voor de Wet transparant toezicht financiële markten worden geregeld. Al deze bevoegdheden zijn passend en adequaat om de voorschriften ingevolge dit wetsvoorstel te handhaven en waar nodig het publiek hierover te informeren. Uiteraard geldt in alle gevallen dat DNB de verschillende betrokken belangen moet afwegen en de maatregelen proportioneel moeten zijn ten opzichte van de overtredingen. Voor een verdere uiteenzetting van deze bevoegdheden wordt verwezen naar paragraaf 6.2.

§8. Consultatie

In de periode van 2 mei 2016 tot en met 30 mei 2016 is het conceptwetsvoorstel publiek geconsulteerd. Naar aanleiding van de publieke consultatie zijn 11 reacties ontvangen, waarvan er 7 openbaar zijn. De openbare reacties zijn afkomstig van Finnius Advocaten, Pellicaan Advocaten, het Compliance Platform, Holland Quaestor, Tax Justice Nederland, Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen, Vereniging Dutch Circle en één particulier.

Naar aanleiding van de consultatiereacties zijn de wettekst en de memorie van toelichting op verscheidene punten aangepast. In het navolgende zullen de ontvangen reacties, voor zover relevant voor dit wetsvoorstel, per thema worden beschreven.

§8.1. Algemeen

In de ontvangen reacties doet zich een discrepantie voor met betrekking tot de gepercipieerde noodzaak van verdergaande regulering van de trustsector. Zo nemen de NGO’s in hun consultatiereacties het standpunt in dat het wetsvoorstel niet ver genoeg gaat in dit opzicht, terwijl in de consultatiereacties vanuit de advocatuur de vraag wordt gesteld of aanvullende regulering daadwerkelijk noodzakelijk is. Tijdens de consultatie van het concept wetsvoorstel is daarnaast naar voren gebracht dat het onvoldoende duidelijk is waarom er in het onderhavige wetsvoorstel voor is gekozen om op punten verder te gaan dan de vereisten van de vierde anti-witwasrichtlijn.

Reeds naar huidig recht omvat de wet- en regelgeving voor trustkantoren aanvullende verplichtingen ten opzichte van hetgeen waarin door Europese regelgeving wordt voorzien. De aanleiding voor deze verdergaande nationale wet- en regelgeving voor trustkantoren is enerzijds gelegen in het feit dat Nederland een relatief omvangrijke trustsector kent en anderzijds in de omstandigheid dat aan het verlenen van trustdiensten relatief hoge integriteitrisico’s zijn verbonden. Hier is op verschillende plekken in deze toelichting al bij stil gestaan. Ook het onderhavige voorstel voorziet, ten opzichte van de vierde anti-witwasrichtlijn, in aanvullende verplichtingen. Op onderdelen hebben de ontvangen consultatiereacties ertoe geleid dat het onderhavige wetsvoorstel meer in lijn is gebracht met de vierde anti-witwasrichtlijn. Dit is onder meer het geval geweest in de bepalingen met betrekking tot bestuurlijke sancties en maatregelen.

In een aantal reacties op het concept wetsvoorstel is naar voren gebracht dat de verschillende open normen waarin het wetsvoorstel voorziet, tot onduidelijkheid leiden voor de trustsector. Daarbij wordt stilgestaan bij de rol die DNB als toezichthouder en op basis van het huidig recht inneemt. In reacties vanuit de trustsector is aangegeven dat het onvoldoende duidelijk is op welke wijze door de toezichthouder invulling wordt gegeven aan de open normen in de Wtt. Voorzien wordt dat dit ook in de context van de onderhavige wet tot onduidelijkheden kan leiden, waardoor er onvoldoende waarborgen zouden zijn voor het kader waarbinnen DNB haar toezicht uitoefent.

§8.2. Uiteindelijk belanghebbende

In de verschillende consultatiereacties is gewezen op onduidelijkheden in de definitie van UBO.

In aansluiting op de ontvangen consultatiereacties wordt beoogd om, door middel van een verwijzing naar de Wwft, een uniforme definitie van UBO in de Nederlandse wet- en regelgeving op te nemen. Voor zover de ontvangen consultatiereacties betrekking hebben op de uitwerking van de definitie van UBO voor specifieke juridische entiteiten of juridische constructies, zullen deze reacties worden betrokken bij de uitwerking van deze definitie in lagere regelgeving onder de Wwft. Dat geldt ook voor de implementatie van het begrip ‘hoger leidinggevend personeel’ in artikel 3, zesde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn, dat onderdeel uitmaakt van de uitwerking van het UBO-begrip voor vennootschappen en juridische entiteiten.

§8.3. Intrekken vergunningen

Door Tax Justice Nederland en Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen is in de consultatiereacties gepleit voor een verruiming van de bevoegdheid om vergunningen in te trekken, in geval van overtreding van de ingevolge het onderhavige wetsvoorstel gestelde regels. Ook de toezichthouder heeft hier, onder meer in de verhoren van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies, voor gepleit.

Het onderhavige wetsvoorstel komt hieraan tegemoet. Voorzien wordt in een intrekkingsbevoegdheid die vergelijkbaar is met de bevoegdheid die aan DNB toekomt op grond van artikel 1:104 Wft. Op grond van het voorgestelde artikel kan DNB onder meer een vergunning intrekken, indien een trustkantoor niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels. De consultatieversie van het concept wetsvoorstel voorzag reeds in deze bepaling. Naar aanleiding van de ontvangen consultatiereacties is in de memorie van toelichting een verduidelijking opgenomen van deze bevoegdheid.

§8.4. Rechtsvorm trustkantoor

Door Holland Quaestor is in reactie op het concept wetsvoorstel naar voren gebracht dat trustkantoren ook de rechtsvorm van een vereniging of coöperatie zouden moeten kunnen hebben. Deze rechtsvormen zouden de ruimte laten voor kleinere trustkantoren om samenwerkingsverbanden aan te gaan, om daarmee de toename van de nalevingskosten als gevolg van dit wetsvoorstel te beperken. Holland Quaestor wijst in dat kader op de gelijkwaardige regelingen die boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kent voor coöperaties en verenigingen.

Deze consultatiereactie heeft niet geleid tot wijzigingen van het wetsvoorstel. Op grond van artikel 13 worden trustkantoren verplicht de rechtsvorm van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een Europese naamloze vennootschap te hebben. De aanleiding voor de introductie van deze verplichting is gelegen in het doel van dit wetsvoorstel om een verdere professionalisering van de trustsector in gang te zetten. Met de voorgestelde verplichting wordt het niet langer mogelijk voor natuurlijke personen om trustdiensten te verlenen en wordt voorts bewerkstelligd dat trustkantoren moeten voldoen aan de vereisten die aan de voorziene rechtsvormen worden gesteld. De rechtsvorm van de coöperatie en de vereniging bieden die waarborgen, anders dan Holland Quaestor stelt, niet in gelijke mate.

In paragraaf 7 van deze toelichting is toegelicht dat de verwachte gevolgen van de verplichting voor een trustkantoor om de rechtsvorm van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een Europese naamloze vennootschap te hebben, beperkt zullen zijn.

§8.5. Uitbesteding compliance functie

Door Holland Quaestor is in het kader van de consultatie opgemerkt dat het uitbesteden van de audit functie en de compliance functie door trustkantoren mogelijk zou moeten blijven. Het uitbesteden van deze functies komt in de praktijk vaak voor. Met name voor middelgrote en kleine trustkantoren zou de bij derde partijen beschikbare expertise en capaciteit noodzakelijk zijn voor een effectieve invulling van deze functies.

Zoals in paragraaf 4.2 is toegelicht, voorziet dit wetsvoorstel – mede naar aanleiding van de bevindingen van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies – in een verbod om de compliancefunctie uit te besteden. Hoewel erkend wordt dat externe partijen over de noodzakelijke expertise en capaciteit beschikken, is overwogen dat de aanwezigheid van deze partijen bij trustkantoren in veel gevallen tekort schiet om een effectieve invulling van deze functie te waarborgen. In tegenstelling tot de audit functie, ten aanzien waarvan dit wetsvoorstel niet voorziet in een verbod op uitbesteding, dient de compliance functie op een doorlopende basis te worden ingevuld. De compliance functie is gericht op het waarborgen van de naleving van wettelijke voorschriften en interne regels, afspraken en procedures. Dit dient in de dagelijkse praktijk van het trustkantoor te worden ingebed. Om die reden is er geen gevolg gegeven aan dit onderdeel van de consultatiereactie van Holland Quaestor.

In paragraaf 7.4 wordt ingegaan op de nalevingskosten die dit verbod met zich meebrengt voor de trustkantoren die thans nog niet over een interne compliance functie beschikken.

§8.6. Verbod op het verlenen van bepaalde trustdiensten

In één van de consultatiereacties vanuit de advocatuur is gereageerd op het voorstel om een grondslag op te nemen om bij algemene maatregel van bestuur het verlenen van trustdiensten onder bepaalde omstandigheden, te verbieden. Betoogd is dat een ingrijpend verbod als het voorgestelde, op het niveau van de wet zou moeten worden geregeld.

In deze opmerking wordt meegegaan. Dergelijke verboden behoren in ieder geval in hoofdlijnen op het niveau van de wet geregeld te worden. In dat licht en ook aan de hand van de bevindingen van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies is gekeken hoe risico’s bij dienstverlening aan bepaalde structuren beperkt kan worden. Het gaat om structuren waarbij naar hun aard sprake kan zijn van verhulling of waarbij het lastig is om gedurende de zakelijke relatie voortdurende controles op integriteitrisico’s uit te oefenen. Van belang is dat trustkantoren bij dienstverlening aan dergelijke structuren een goede beoordeling van de integriteitrisico’s kunnen maken en adequate maatregelen kunnen treffen om risico’s te mitigeren. In dat licht zijn in plaats van generieke verboden aanvullende verplichtingen in het voorstel opgenomen. Deze verplichtingen zijn toegelicht in paragraaf 4.3.3.

§8.7. Scheiding tussen trustdienstverlening en belastingadvies

Door Tax Justice Nederland en de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen is in reactie op het wetsvoorstel aandacht gevraagd voor een strengere scheiding tussen trustkantoren en belastingadvieskantoren.

Aan deze oproep is gehoor gegeven, waarbij tevens rekening is gehouden met de bevindingen uit het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies. Het wetsvoorstel voorziet in een verbod voor trustkantoren om een trustdienst te verlenen aan een cliënt, wanneer de te verlenen trustdienst op enige wijze samenhangt met een belastingadvies dat aan de cliënt is verstrekt door het trustkantoor zelf, of door een persoon of vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep als het trustkantoor. Voor een nadere toelichting op dit verbod wordt verwezen naar paragraaf 4.3.

§8.8. Inspanningsverplichting bij het cliëntenonderzoek

In de consultatieversie van het wetsvoorstel werd een verplichting voorgesteld voor trustkantoren om ten aanzien van bepaalde aspecten van het cliëntenonderzoek de voorgeschreven informatie vast te stellen ‘met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’. Zowel vanuit de trustsector, als vanuit de advocatuur zijn grote vraagtekens geplaatst bij de uitvoerbaarheid en proportionaliteit van dit voorstel. Deze reacties hebben tot wijzigingen geleid.

Van een trustkantoor wordt een gedegen en diepgaand cliëntenonderzoek verlangd waarbij absolute zekerheid op alle onderdelen niet altijd te verkrijgen is. In dat kader wordt van trustkantoren verwacht dat zij de gevraagde informatie zoveel mogelijk met zekerheid te achterhalen. Voor zover absolute zekerheid niet te verkrijgen is, wordt dus een inspanning verwacht om zoveel mogelijk zekerheid te verkrijgen. Van belang is daarbij dat een trustkantoor documenteert wat hij in dit kader heeft gedaan en op welke documenten hij zich heeft gebaseerd.

§8.9. Handhaving, publicatie en rechtsbescherming

In verschillende consultatiereacties wordt aandacht besteed aan de uitbreiding van het handhavingsinstrumentarium van DNB. Zo is er in de consultatiereacties vanuit de advocatuur op gewezen dat het wetsvoorstel in dit opzicht verder gaat dan de vierde anti-witwasrichtlijn.

Met het onderhavige wetsvoorstel wordt in de eerste plaats beoogd het handhavingsinstrumentarium van DNB in lijn te brengen met de vereisten van de vierde anti-witwasrichtlijn. Tegelijkertijd heeft het onderhavige wetsvoorstel tot doel om het handhavingsinstrumentarium van de toezichthouder te verruimen, zodat DNB beter geëquipeerd is om in te grijpen in geval van geconstateerde overtredingen door trustkantoren. Daarbij is in het onderhavige wetsvoorstel rekening gehouden met het handhavingsinstrumentarium dat DNB toekomt als toezichthouder op banken en andere financiële ondernemingen, op grond van zowel de Wft, als de Wwft, zodat de toezichthouder voor alle onder haar toezicht staande sectoren zoveel als mogelijk over hetzelfde instrumentarium kan beschikken.

Met inachtneming van deze drie uitgangspunten, hebben de ontvangen consultatiereacties tot enkele wijzigingen in het wetsvoorstel geleid. Zo is de hoogte van een boete die wordt gebaseerd op het door een overtreding verkregen voordeel, verlaagd van driemaal het bedrag van het verkregen voordeel naar tweemaal het bedrag van het verkregen voordeel. Ook is de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur, ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen, te voorzien in een verhoging van de basis- en maximumbedragen van een bestuurlijke boete, komen te vervallen.

In de consultatiereacties is voorts kritisch gereageerd op de introductie van een bevoegdheid voor de toezichthouder om iemand (tijdelijk) de bevoegdheid te ontzeggen een beleidsbepalende functie uit te oefenen. Op grond van artikel 59, eerste en tweede lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn is het noodzakelijk dat deze handhavingsmaatregel wordt opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel. In de consultatiereacties is bekritiseerd dat deze bevoegdheid een ruimer toepassingsbereik heeft dan strikt genomen is vereist op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn. De wet- en regelgeving kent voor trustkantoren, reeds naar huidig recht, aanvullende verplichtingen voor trustkantoren dan op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn is vereist. Daarmee wordt beoogd de inherent hoge integriteitrisico’s die aan de trustsector zijn verbonden, te beheersen. Voor een adequate handhaving van deze verplichtingen is het noodzakelijk dat het handhavingsinstrumentarium waarin het onderhavige wetsvoorstel voorziet, ook kan worden ingezet als deze verplichtingen worden overtreden. Dat de reikwijdte van een ontzegging zich uitstrekt naar het uitoefenen van een beleidsbepalende functie bij een instelling als bedoeld in de Wwft, vloeit rechtstreeks voort uit artikel 59, tweede lid, van de richtlijn.

Daarnaast is, zowel vanuit de advocatuur als door de trustsector, gewezen op het ontbreken van voldoende rechtsbescherming voor belanghebbenden. Deze reacties hebben geleid tot een aantal wijzigingen. Zo is in het kader van de publicatiemogelijkheden van DNB een verplichting voor de toezichthouder geïntroduceerd om een separaat besluit tot openbaarmaking te nemen. Hiermee staat vast dat aan belanghebbenden bestuursrechtelijke rechtsbescherming toekomt. Ook komt belanghebbenden in de fase van voorbereiding van een dergelijk besluit, op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de mogelijkheid toe om een zienswijze te geven ten aanzien van een voorgenomen besluit. Daarnaast is met betrekking tot de publicatiebevoegdheden van DNB voorzien in een wachttermijn tussen het bekendmaken van het besluit tot openbaarmaking en de daadwerkelijke openbaarmaking. Deze termijn stelt een belanghebbende in de gelegenheid een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen op grond van artikel 8:81 Awb. Een verzoek om voorlopige voorziening heeft schorsende werking, zodat DNB niet kan overgaan tot openbaarmaking alvorens de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken. In het wetsvoorstel is tot slot een verplichting opgenomen voor DNB om belanghebbenden een rectificatie aan te bieden indien een besluit tot openbaarmaking in bezwaar wordt ingetrokken of wordt herroepen in beroep of hoger beroep.

§8.10. Informatie uitwisseling trustkantoren

Door de trustsector is in de consultatiereacties opgemerkt dat het voor trustkantoren, met het oog op de vertrouwelijkheid die wordt overeengekomen met cliënten, niet mogelijk is om cliëntgegevens uit te wisselen met andere trustkantoren. Daartoe zou een wettelijke vrijwaringsregeling noodzakelijk zijn.

Omdat het van belang is dat trustkantoren voorkomen dat zij trustdiensten verlenen aan een cliënt, waaraan door een ander trustkantoor niet langer trustdiensten worden verleend vanwege onbeheersbare integriteitrisico’s, is de verplichting voor trustkantoren om informatie uit te wisselen over gebleken integriteitrisico’s gehandhaafd. Een wettelijke plicht gaat daarbij voor op een contractuele afspraak. Naar aanleiding van voornoemde consultatiereactie is wel een waarborg opgenomen zodat cliënten op de hoogte zijn: een trustkantoor is gehouden om voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie of het verlenen van een trustdienst, de cliënt te informeren over deze wettelijke verplichting tot informatie uitwisseling. Daarbij is in het voorstel opgenomen dat de informatieplicht geldt voor integriteitrisico’s die na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn gebleken.

Lees de volledige tekst van het wetsvoorstel

 

[1] Zie voor het verslag van de ondervragingscommissie Kamerstukken II 2016/17, 34 566, nr. 3.

[2] Deze verantwoordelijkheid volgt uit artikel 6 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

[3] Kamerstukken II 2003/2004, 29 041, nr.2.

[4] Kamerstukken II 2009/10, 32 384, nr. 1.

[5] DNB Nieuwsbrief Trustkantoren, 3 december 2012, www.dnb.nl.

[6] DNB Nieuwsbrief Trustkantoren, 4 juli 2013, www.dnb.nl.

[7] DNB Nieuwsbrief Trustkantoren, 18 november 2013, www.dnb.nl.

[8] Onder functiescheiding wordt een organisatie van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bestuur en de personeelsleden van een trustkantoor verstaan die zodanig is dat er sprake is van een duidelijke scheiding tussen uitvoerende en controlerende functies.

[9] DNB Nieuwsbrief Trustkantoren, 1 mei 2014, www.dnb.nl.

[10] DNB Nieuwsbrief Trustkantoren, 23 maart 2015, www.dnb.nl.

[11] Zie DNB Nieuwsbrief Trustkantoren van 4 juli 2013, 15 december 2014, 3 juli 2015, 30 juni 2016 en 23 mei 2017 op www.dnb.nl.

[12] Kamerstukken II 2014/15, 32 545, nr. 32.

[13] Kamerstukken II 2016/17, 34 566, nrs. 1 en 2.

[14] Zie hiervoor het verslag van de commissie waarin suggesties van DNB zijn opgenomen, Kamerstukken II 2016/17, 34 566, nr. 3.

[15] Voor trustkantoren met zetel in een andere lidstaat of in een aangewezen staat geldt dat zij rechtspersoonlijkheid moeten hebben en in de staat waar zij hun zetel hebben bevoegd moeten zijn om trustdiensten te verlenen (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 13).

[16] Zie artikel 3:15 van de Wet op het financieel toezicht.

[17] DNB Nieuwsbrief Trustkantoren, 1 mei 2014, www.dnb.nl.

[18] Zie onder meer pagina 12 van het verslag van de Parlementaire ondervragingscommissie, Kamerstukken II 2016/17, 34 566, nr. 3.

[19] Voor de publicatiebevoegdheden is uitgegaan van de bepalingen in de Wft zoals die komen te luiden na inwerkingtreding van de Wet transparant toezicht financiële markten: Kamerstukken II 2017/18, 34 769, nr. 2.

[20] Artikel 59, tweede lid, onderdeel c, van de vierde anti-witwasrichtlijn.

[21] Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEU 1995, 281). 

[22] Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, 119).

[23] Bijlage 5 bij het Handboek meting regeldruk, versie d.d. 1 juli 2014, bruto uurloon van een bedrijfshoofd of hoge manager, zoals gemeten door het CBS.

[24] Het gemiddeld uurloon is gebaseerd op het bruto uurloon voor hoogopgeleide kenniswerkers en het bruto uurloon voor bedrijfshoofden en hoge managers, zoals opgenomen in bijlage 5 bij het Handboek meting regeldruk, versie d.d. 1 juli 2014.

[25] Hierbij is uitgegaan van een tijdsbesteding van in totaal 4 weken en het bruto uurloon voor hoogopgeleide kenniswerkers en het bruto uurloon voor administratief medewerkers, zoals opgenomen in bijlage 5 bij het Handboek meting regeldruk, versie d.d. 1 juli 2014.

[26] Bijlage 5 bij het Handboek meting regeldruk, versie d.d. 1 juli 2014, bruto uurloon van een administratief medewerker, zoals gemeten door het CBS.