Vierde anti-witwasrichtlijn

Geschreven door Lexalert
Foto: Phil Long  

De vierde anti-witwasrichtlijn bestendigt de twee kernverplichtingen van de regels ter voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme, te weten de verplichting om cliëntenonderzoek te verrichten en de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid (hierna: FIU). Het toepassingsbereik van de richtlijn wordt uitgebreid naar nieuwe categorieën instellingen, te weten de 

aanbieders van kansspeldiensten en personen die beroeps- of bedrijfsmatig in goederen handelen in het geval daarbij contante betalingen worden gedaan of ontvangen van EUR 10.000,- of meer (voorheen lag die grens op EUR 15.000,- en betrof het alleen de verkopers van deze goederen, niet tevens de kopers).

Net als de derde anti-witwasrichtlijn kent de vierde anti-witwasrichtlijn een risicogebaseerde benadering, waaruit volgt dat instellingen de verplichtingen om de maatregelen die zij in het kader van het cliëntenonderzoek dienen te nemen dienen af te stemmen op de risico’s van de aard en omvang van de eigen onderneming en de dienstverlening, alsmede op de risico’s van een concrete zakelijke relatie of transactie. Naast een risicogebaseerde invulling van het cliëntenonderzoek dat in standaard gevallen dient plaats te vinden, kan op basis van een risicobeoordeling in een concreet geval ook aanleiding blijken te bestaan voor het verrichten van een vereenvoudigd of verscherpt cliëntenonderzoek. Daarbij laat de vierde anti-witwasrichtlijn nog slechts ruimte voor het variëren in de intensiteit van de maatregelen die in het kader van het cliëntenonderzoek worden genomen. Het cliëntenonderzoek kan in gevallen van laag risico in beginsel niet meer achterwege worden gelaten, zoals nog mogelijk was onder de derde richtlijn.

Nieuw ten opzichte van de derde richtlijn is de verplichting voor instellingen om een beoordeling van de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme op te stellen en vast te leggen teneinde hun gedragslijnen en procedures ter beperking van deze risico’s op deze beoordeling te kunnen afstemmen en de beoordeling op verzoek aan de toezichthoudende autoriteit te kunnen verstrekken. Bij de beoordeling van de risico’s dient de instelling onder meer rekening te houden met haar cliënten, de landen en geografische regio’s waar de instelling werkzaam is en haar producten en diensten.

De juridische nieuwslijn Lexalert informeert u gratis en per e-mail over de juridische actualiteit - Schrijf gratis in

Ook nieuw ten opzichte van de derde richtlijn is het feit dat de Europese Commissie en de lidstaten verplicht zijn tot het opstellen van een supranationale respectievelijk nationale risicobeoordeling. Deze risicobeoordelingen dienen in de eerste plaats als uitgangspunt voor het ontwikkelen van wet- en regelgeving en beleid ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, maar worden tevens beschikbaar gesteld aan de instellingen. Instellingen dienen met de Europees en nationaal geïdentificeerde risico’s rekening te houden bij het opstellen van hun individuele risicobeoordelingen. 

Om de risico’s van witwassen en financieren van terrorisme zo goed mogelijk te bestrijden, streeft de vierde anti-witwasrichtlijn een zoveel mogelijk internationale aanpak na. Dit uit zich onder meer in de verplichting voor instellingen om erop toe te zien dat bijkantoren en meerderheidsdochterondernemingen in derde staten via op het niveau van de groep vastgestelde procedures en maatregelen de bepalingen die gelden uit hoofde van de richtlijn naleven. Ook de aangescherpte bepalingen ten aanzien van het samenwerken tussen toezichthoudende autoriteiten en het delen van informatie en gegevens tussen financiële inlichtingen eenheden uit verschillende lidstaten dragen hier aan bij.

De vierde anti-witwasrichtlijn bevat twee artikelen (de artikelen 30 en 31) waarmee aan lidstaten de verplichting wordt opgelegd om een centraal register in het leven te roepen met daarin informatie over uiteindelijk belanghebbenden (in het Engels ultimate beneficial owners, hierna: UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten, respectievelijk express trusts of juridische 

constructies met een soortgelijke structuur en functie als express trusts. Omdat het opzetten van een dergelijk register ook een niet onbelangrijke ICT-component met zich brengt en de implementatie overwegend zal plaatsvinden in de Handelsregisterwet, is besloten om de implementatie van deze artikelen onder te brengen in een separaat implementatiewetsvoorstel. In het navolgende komt de implementatie van deze artikelen dan ook niet aan de orde.

Ook in de definitie van UBO zijn veranderingen aangebracht ten opzichte van de derde richtlijn. Waar voor vennootschappen een percentage aandelen of stemrechten van 25% + 1 werd gezien als toereikend om te kwalificeren als UBO, is dit percentage in de onderhavige richtlijn slechts een indicatie dat de betrokken persoon kwalificeert als UBO. Hierdoor sluit de vierde anti-witwasrichtlijn beter aan bij de aanbevelingen van FATF, waarin het houden van een percentage aandelen of stemrechten slechts één van de gevallen betreft waarin sprake kan zijn van een UBO. De vierde anti-witwasrichtlijn voegt bovendien toe dat het naast aandelen en stemrechten ook kan gaan om ‘eigendom’ en staat expliciet stil bij de wijze waarop een natuurlijke persoon ook via indirecte eigendom UBO kan zijn. Ook introduceert de vierde anti-witwasrichtlijn de mogelijkheid om in bepaalde specifieke gevallen een persoon of de personen behorend tot het hoger leidinggevend personeel als UBO aan te merken. Het gaat om de gevallen waarin (a) geen persoon of personen achterhaald kunnen worden die (direct of indirect) via aandelen, stemrecht of eigendom kwalificeren als UBO en ook geen persoon of personen zijn achterhaald die zeggenschap met andere middelen hebben, of (b) om de gevallen waarin twijfel bestaat of de achterhaalde personen daadwerkelijk UBO zijn. Het moet dan wel duidelijk zijn dat alle mogelijke middelen zijn aangewend om de UBO(s) te achterhalen en er mogen geen gronden zijn voor verdenking van witwassen of financieren van terrorisme. Deze laatste twee eisen zijn in de richtlijn opgenomen om te voorkomen dat te gemakkelijk een persoon behorend tot het hoger leidinggevend personeel wordt aangewezen als UBO.

Daarnaast is in de vierde anti-witwasrichtlijn nu ook een definitie opgenomen van de UBO van een trust, die nauw aansluit bij de aanbevelingen van FATF. Voor juridische entiteiten, waartoe ook stichtingen worden gerekend, en voor juridische constructies die vergelijkbaar zijn met een trust, schrijft de richtlijn voor dat een definitie van de UBO wordt gehanteerd die aansluit bij de UBO-definitie van een trust.

Waar de derde richtlijn nog een onderscheid maakte tussen binnenlandse en buitenlandse politiek prominente personen (in het Engels ‘politically exposed persons’, hierna: PEPs), is dat onderscheid in de vierde anti-witwasrichtlijn komen te vervallen: in alle gevallen van transacties of zakelijke relaties met cliënten die als PEP kwalificeren of waarbij de UBO van een cliënt als PEP kwalificeert, dan wel in gevallen waarbij de begunstigde van een levensverzekering of waarbij de UBO van die begunstigde een PEP is, dienen verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen te worden getroffen.

De vierde anti-witwasrichtlijn omvat daarnaast gedetailleerde bepalingen met betrekking tot de samenwerking tussen Financiële inlichtingen eenheden uit 

verschillende lidstaten. Deze bepalingen zouden ertoe moeten bijdragen dat een melding van een ongebruikelijke transactie ook terecht komt bij de financiële inlichtingen eenheid van de lidstaat waar het onderzoek naar de melding het best kan plaatsvinden. Informatie uitwisseling tussen financiële inlichtingen eenheden voor analysedoeleinden, zonder verdere verwerking of verspreiding, moet op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn mogelijk zijn, tenzij de uitwisseling in strijd zou zijn met fundamentele beginselen van nationaal recht.

De informatie uitwisseling tussen Financiële inlichtingen eenheden vindt plaats binnen het EU Financial Intelligence Units’ Platform (het FIU-platform) en via het computernetwerk FIU.net. De lidstaten worden geacht het gebruik van FIU.net aan te moedigen.

Een ander nieuw element in zowel de vierde anti-witwasrichtlijn als de verordening is het hoofdstuk over sancties. Waar de eerdere richtlijnen en de eerdere verordening het sanctioneren bij niet-naleving van de richtlijnverplichtingen overlieten aan de lidstaten, is met de vierde anti-witwasrichtlijn en met de nieuwe verordening een kader voor deze sancties geïntroduceerd. Dat kader sluit in belangrijke mate aan bij andere dossiers op het terrein van de financiële markten, zoals de richtlijn betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (in het kort de ‘capital requirements directive’, CRD IV genoemde en andere richtlijnen en verordeningen met vergelijkbare bepalingen. Net als CRD IV voorziet de vierde anti-witwasrichtlijn bijvoorbeeld in bepalingen die betrekking hebben op de hoogte van een bestuurlijke boete, als ook de bevoegdheid voor toezichthoudende autoriteiten om een verbod op te leggen om bepaalde beleidsbepalende functies uit te oefenen.

§ 2.2. Verordening betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie

De verordening vervangt verordening (EG) Nr. 1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (PbEU 2006, L 345). De aanleiding voor het in werking treden van een nieuwe verordening is gelegen in de herziene FATF-aanbevelingen, waaronder met name aanbeveling 16 met betrekking tot elektronische geldovermakingen. Uit deze aanbeveling volgt dat landen ervoor zorg moeten dragen dat financiële instellingen, waaronder met name de betaaldienstverleners, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van richtlijn 2007/64 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (hierna: betaaldienstverleners), (girale) overschrijvingen vergezeld laten gaan 

van alle noodzakelijke informatie over de afzender en de begunstigde van een transactie, waarbij deze informatie door de gehele betaalketen bij de geldovermaking gevoegd dient te blijven. Daarmee wordt een volledige traceerbaarheid van geldovermakingen beoogd, hetgeen wordt beschouwd als een belangrijk hulpmiddel om witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken. De mogelijkheid die op deze manier gecreëerd wordt om de herkomst en bestemming van financiële geldstromen te achterhalen, dient in voorkomende gevallen strafrechtelijk onderzoek inzake witwassen of financieren van terrorisme.

De verordening voorziet in een aantal belangrijke wijzigingen ten opzichte van zijn voorganger. In de eerste plaats wordt de verplichting voor betaaldienstverleners om overschrijvingen van bepaalde informatie vergezeld te doen gaan, uitgebreid met informatie over de begunstigde van een overschrijving. De betaaldienstverlener van de betaler dient in beginsel de naam van de begunstigde en het betaalrekeningnummer van de begunstigde aan de overschrijving toe te voegen, waarna deze informatie door de betaaldienstverlener van de begunstigde wordt geverifieerd alvorens de betaalrekening van de begunstigde te crediteren of de begunstigde de geldmiddelen ter beschikking te stellen. In bepaalde gevallen kan ook een unieke identificatiecode aan de overschrijving worden gekoppeld. De verplichting voor de betaaldienstverlener van de begunstigde om de informatie over de begunstigde te verifiëren geldt in ieder geval bij geldovermakingen van meer dan EUR 1.000,- en onder omstandigheden ook bij geldovermakingen van een lager bedrag, bijvoorbeeld bij contante uitbetaling of vermoedens van witwassen of financieren van terrorisme. De verordening maakt onderscheid in overschrijvingen die geheel plaatsvinden binnen de Unie, overschrijvingen van buiten naar binnen de Unie en overschrijvingen die vanuit de Unie naar een staat gaan die geen lidstaat is (derde landen).

Een andere belangrijke wijziging betreft het toepassingsbereik van de verordening. Een betaalkaart, elektronischgeldinstrument, een mobiele telefoon of ander digitaal of informatietechnologisch vooruit- of achteraf betaald betaaltoestel wordt binnen de reikwijdte van de verordening gebracht, voor zover deze instrumenten worden gebruikt om geldovermakingen tussen personen te verrichten. Deze instrumenten blijven echter uitgezonderd van de verplichtingen uit de verordening, voor zover zij uitsluitend worden gebruikt voor de aankoop van goederen of diensten en zolang alle transacties die met het betreffende instrument worden verricht, vergezeld gaan van het nummer van het instrument, bijvoorbeeld van de betaalkaart.

De verplichtingen voor intermediaire betaaldienstverleners worden met de verordening uitgebreid. Naast de verplichting om ervoor te zorgen dat de ontvangen gegevens over betalers en (op grond van de nieuwe verordening ook) begunstigden bij de geldovermaking gevoegd blijven, dienen intermediaire betaaldienstverleners zelf ook doeltreffende procedures in te stellen om ontbrekende informatie over de betaler of de begunstigde op te sporen. Indien er sprake is van ontbrekende informatie, dient de intermediaire betaaldienstverlener middels op risico gebaseerde procedures vast te stellen of een geldovermaking moet worden uitgevoerd, geweigerd of opgeschort.

Naast de intermediaire betaaldienstverlener, dient ook de betaaldienstverlener van de begunstigde op risico gebaseerde procedures vast te stellen om te bepalen of een geldovermaking moet worden uitgevoerd, geweigerd of opgeschort en om te bepalen welke passende vervolgactie moet worden 

ondernomen, indien de vereiste informatie niet bij de geldovermaking is gevoegd. Deze op risico gebaseerde aanpak vloeit voort uit de betrokken FATF-aanbeveling en moet ertoe leiden dat op een meer gerichte wijze kan worden opgetreden tegen risico's voor witwassen en terrorismefinanciering.

De verordening voorziet voorts in een expliciete verwijzing naar de toepasselijkheid van de Europese regelgeving op het gebied van bescherming van persoonsgegevens en de nationale wetgeving ter implementatie daarvan. Persoonsgegevens die door betaaldienstverleners zijn verzameld om aan de verordening te voldoen, mogen bijvoorbeeld niet verder verwerkt worden op een manier die in strijd is met deze regelgeving. Met name de verdere verwerking van deze gegevens voor commerciële doeleinden is verboden. Omdat de bestrijding van witwassen en financieren van terrorisme door alle lidstaten is erkend als een zwaarwegend algemeen belang, wordt op grond van de verordening toegestaan dat persoonsgegevens worden doorgegeven aan landen waar de bescherming van persoonsgegevens van een ander niveau is. De betaaldienstverleners die binnen de reikwijdte van de verordening vallen dienen te beschikken over passende technische en organisatorische maatregelen voor de bescherming van persoonsgegevens, bijvoorbeeld tegen incidenteel verlies of ongeoorloofde verspreiding.

Tot slot beoogt de verordening, in aansluiting op en onder verwijzing naar de vierde anti-witwasrichtlijn, de bevoegdheden van de personen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verordening verder te harmoniseren. Daartoe verplicht de verordening de lidstaten om te voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties en maatregelen, waaronder ten minste de sancties en maatregelen, bedoeld in artikel 59 van de vierde anti-witwasrichtlijn. Ook worden de toezichthoudende autoriteiten verplicht de opgelegde sancties en maatregelen te publiceren, overeenkomstig het bepaalde in artikel 60 van de vierde anti-witwasrichtlijn. In paragraaf 4.4 wordt ingegaan op de gewijzigde sanctiebepalingen in de Wwft ter implementatie van de richtlijn en de verordening en in paragraaf 4.5 op de publicatiebevoegdheden die in de Wwft worden geïntroduceerd.

Lees de volledige tekst van de richtlijn (EU) nr. 2015/849/EC van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU L 141/73)