Wijziging antiwitwaswetgeving 2017 nav Vierde Anti-witwasrichtlijn

Geschreven door Lexalert
Foto: Images Money  

Het wetsvoorstel van 12 oktober 2017 implementeert de Vierde Anti-witwasrichtlijn in Nederlands recht. Hierna worden de belangrijkste wijzigingen in wet- en regelgeving besproken. 

Uitbreiding reikwijdte

De reikwijdte van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) wordt ter implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn uitgebreid met een aantal nieuwe instellingen. Het betreft in de eerste plaats de aanbieders van kansspelen. Van de aanbieders van kansspelen vallen naar huidig recht speelcasino’s binnen de reikwijdte van de Wwft. Naast speelcasino’s zullen nu ook de overige kansspelaanbieders onder de Wwft vallen, waaronder loterijen, aanbieders van sportweddenschappen en speelautomatenhallen. Indien uit een daartoe uit te voeren risicobeoordeling 

blijkt dat de aard en, in voorkomend geval, de omvang van de transacties betreffende kansspeldiensten een laag risico op witwassen of financieren van terrorisme vertegenwoordigen, kunnen aanbieders van bepaalde kansspeldiensten onder strikte voorwaarden bij ministeriële regeling geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de verplichtingen uit hoofde van de Wwft.

In de tweede plaats wordt de categorie Wwft instellingen die in het kort wordt aangeduid als ‘grootwaardehandelaren’ uitgebreid. Deze categorie zal de personen die in goederen handelen en daarvoor betalingen in contant geld doen of ontvangen van EUR 10.000,- of meer omvatten en wordt ook uitgebreid met de kopers van die goederen (naast de verkopers). Op beide doelgroepen zullen de verplichtingen uit hoofde van de Wwft van toepassing worden.

Risicogebaseerde benadering

De Wwft schrijft naar huidig recht reeds een risicogebaseerde aanpak voor, die met de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn wordt bestendigd. De eerder genoemde wijzigingen in de richtlijn hebben echter wel tot gevolg dat de risicogebaseerde benadering op verschillende terreinen wordt geëxpliciteerd, dan wel uitgebreid. Zo worden de instellingen verplicht de identificatie en beoordeling van hun risico’s op witwassen en financieren van terrorisme vast te leggen, actueel te houden en op verzoek aan de toezichthoudende autoriteit te verstrekken. De instelling dient deze risicobeoordeling ten grondslag te leggen aan de ontwikkeling van haar beleid, bestaande uit procedures en maatregelen, om de geïdentificeerde risico’s te beperken en effectief te beheersen. Naast de uitvoering van het cliëntenonderzoek en het monitoren van transacties, kan hierbij gedacht worden aan de ontwikkeling van opleidingen voor medewerkers en aanvullende beheersmaatregelen. De risicobeoordeling kan er ook toe leiden dat een instelling tot de conclusie komt dat onvoldoende beheersmaatregelen mogelijk zijn en dat daarom bepaalde risico’s in het geheel moeten worden vermeden.

De juridische nieuwslijn Lexalert informeert u gratis en per e-mail over de juridische actualiteit - Schrijf gratis in

Cliëntenonderzoek

Het verrichten van cliëntenonderzoek blijft één van de twee pijlers van de maatregelen om witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. De instellingen die verplicht zijn tot het verrichten van een cliëntenonderzoek worden beschouwd als de poortwachters van het financieel stelsel: wie een financiële transactie wil verrichten of anderszins waarde wil verplaatsen is aangewezen op de dienstverlening van deze instellingen. Uit hoofde van die taak dienen de instellingen onderzoek te verrichten naar hun cliënten en de achtergrond en het doel van een beoogde zakelijke relatie of transactie. Daarmee moeten de instellingen voorkomen dat hun dienstverlening wordt misbruikt voor het witwassen van geld of voor het financieren van terrorisme en transacties herkennen die in dat opzicht als ongebruikelijk moeten worden aangemerkt.

Zoals in paragraaf 3.2. reeds is toegelicht, zal het cliëntenonderzoek, in lijn met de hiervoor beschreven risicogebaseerde benadering, nog meer dan voorheen gebaseerd moeten zijn op een risicoweging op grond van de in de vierde anti-witwasrichtlijn geïdentificeerde risicofactoren. Ten aanzien van de mogelijkheid om een vereenvoudigd cliëntenonderzoek te verrichten, zullen niet langer typen cliënten worden aangewezen ten aanzien waarvan met een vereenvoudigd cliëntenonderzoek kan worden volstaan. In plaats daarvan dient een instelling voor het aangaan van een zakelijke relatie of het verrichten van een transactie een risicobeoordeling uit te voeren. Indien daaruit volgt dat 

sprake is van een bewezen laag risico, kan volstaan worden met het treffen van vereenvoudigde cliëntenonderzoeksmaatregelen. Het cliëntenonderzoek kan in geen geval achterwege blijven, maar de intensiteit waarmee de cliëntenonderzoeksmaatregelen worden toegepast, wordt afgestemd op het risico dat met een cliënt, relatie of transactie gepaard gaat. Het is aan de instelling zelf om te bepalen welke intensiteit in een bepaald geval is aangewezen. Uit de risicobeoordeling kan ook volgen dat sprake is van een hoog risico dat een verscherpt cliëntenonderzoek vereist. In deze gevallen, maar ook in de gevallen die reeds naar huidig recht als gevallen van hoog risico worden gekwalificeerd, dient een instelling verscherpte maatregelen te treffen. Naast de zakelijke relaties of transacties die op grond van de risicobeoordeling met een hoog risico op witwassen of financieren van terrorisme gepaard gaan, gaat het om situaties waarin de cliënt woonachtig of gevestigd is in hoogrisico jurisdicties, waarin sprake is van PEPs of van een correspondentrelatie. In deze gevallen dient een instelling meer gegevens te verzamelen en te controleren, teneinde het hoge risico voldoende te beperken en te beheersen.

Het cliëntenonderzoek stelt de instelling onder meer in staat de identiteit van de UBO vast te stellen en te verifiëren. Zoals beschreven in paragraaf 2.1 wordt in de vierde anti-witwasrichtlijn een andere invulling gegeven aan het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ (UBO), die meer in lijn is met de FATF-aanbevelingen. Als gevolg daarvan wordt ook de Wwft op dit punt aangepast. De vierde anti-witwasrichtlijn geeft gedetailleerde definities voor de UBO’s van vennootschappen en van trusts. Voor de UBO’s van (a) juridische entiteiten als stichtingen en (b) juridische constructies vergelijkbaar met trusts, schrijft de richtlijn alleen voor dat een UBO-definitie vergelijkbaar aan die van een trust wordt gehanteerd. Naar huidig recht wordt in artikel 3 van de Wwft al rekening gehouden met het feit dat de UBO-definitie die van toepassing is op een BV of NV, zich niet goed leent voor bijvoorbeeld een maatschap, een vennootschap onder firma en een commanditaire vennootschap. Besloten is om in de lagere regelgeving bij de Wwft voor een groot aantal juridische entiteiten de geëigende uitwerking van de algemene UBO-definitie op te nemen.    

Nu de vierde anti-witwasrichtlijn niet langer een onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse PEPs, wordt de Wwft ook op dit punt aangepast. Een instelling zal daardoor in meer gevallen verscherpt cliëntenonderzoek moeten verrichten.

Handhavinginstrumentarium toezichthoudende autoriteiten

De vierde anti-witwasrichtlijn verplicht de lidstaten te voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende bestuurlijke sancties en maatregelen indien de bepalingen ter implementatie van de richtlijn niet worden nageleefd. Als beschreven in paragraaf 2.1 is het hoofdstuk met betrekking tot sancties uit de vierde anti-witwasrichtlijn geënt op de sanctiehoofdstukken uit andere Europese regelgeving voor de financiële markten. In het onderhavige wetsvoorstel wordt aangesloten bij de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daardoor zal voor banken en andere financiële ondernemingen op grond van de Wwft een vergelijkbaar boetestelsel gelden, als op grond van de Wft reeds het geval is. Ook ten behoeve van de toezichthoudende autoriteiten De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) wordt de consistentie van het handhavingsinstrumentarium hiermee gewaarborgd.

Boetehoogtes

In de eerste plaats worden de maximale boetes die de toezichthoudende autoriteiten kunnen opleggen bij overtredingen van de Wwft gewijzigd. Het maximum boetebedrag voor de derde boetecategorie zal vijf miljoen euro bedragen, voor zover het gaat om overtredingen begaan door banken, andere financiële ondernemingen en trustkantoren. Dit maximum geldt thans al voor banken en beleggingsondernemingen. Indien een overtreder in het jaar voorafgaand aan het opleggen van een bestuurlijke boete een netto-omzet had van meer dan 100 miljoen euro, geldt voor de genoemde instellingen voorts, in afwijking van het gebruikelijke maximumbedrag, een omzetgerelateerd maximum boetebedrag van 10% van de netto-omzet. Met het introduceren van een omzetgerelateerd boetebedrag wordt de toezichthoudende autoriteit de bevoegdheid toegekend om ook bij kapitaalkrachtige instellingen een boete te kunnen opleggen waarvan voldoende afschrikkende werking uitgaat. Hiermee wordt voldaan aan de verplichting uit de vierde anti-witwasrichtlijn om een omzetgerelateerde boete in ieder geval voor banken en andere financiële ondernemingen mogelijk te maken. Daarnaast zal de omzetgerelateerde boete ook gelden voor trustkantoren.

Naar huidig recht kan het voordeel dat met een overtreding is behaald alleen als grondslag dienen voor het bepalen van de hoogte van een bestuurlijke boete, indien dat voordeel meer dan twee miljoen euro bedraagt. Deze voorwaarde is niet in lijn met de vierde anti-witwasrichtlijn en vervalt. Conform de richtlijn bestaat derhalve in alle gevallen de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste twee maal het bedrag van het met de overtreding verkregen voordeel.

Uiteraard bestaat voor de toezichthoudende autoriteiten voldoende ruimte om rekening te houden met de verschillen tussen de instellingen die binnen de reikwijdte van de Wwft vallen. Bij het vaststellen van de hoogte van een bestuurlijke boete dient de toezichthoudende autoriteit niet alleen rekening te houden met de ernst en duur van de overtreding en de verwijtbaarheid van de overtreder, maar ook met het evenredigheidsbeginsel. Dat betekent dat de omstandigheden van het concrete geval, waaronder ook het type en de omvang van de instelling, relevant zijn. Daarnaast speelt de draagkracht van de overtreder een rol bij het vaststellen van de boetehoogte. 

Intrekken vergunning

Het handhavingsinstrumentarium van de toezichthoudende autoriteiten wordt, conform de vierde anti-witwasrichtlijn, ook uitgebreid met de mogelijkheid om de vergunning van een instelling in te trekken indien er sprake is van een overtreding van de Wwft. Niet alle instellingen die binnen de reikwijdte van de Wwft vallen, dienen over een vergunning te beschikken ten einde hun werkzaamheden te kunnen verrichten. Naar huidig recht is het op grond van de Wft en de Wet toezicht trustkantoren reeds mogelijk om een vergunning in te trekken indien een financiële onderneming of trustkantoor niet langer voldoet aan het vereiste van een integere uitoefening van het bedrijf. Omdat niet-naleving van de Wwft er doorgaans op duidt dat van een integere uitoefening van het bedrijf geen sprake is, waren de toezichthoudende autoriteiten naar huidig recht reeds bevoegd om een vergunning in te trekken indien de Wwft werd overtreden. Desalniettemin wordt om het belang van naleving van de Wwft te onderstrepen voorgesteld om, in aansluiting op de vierde anti-witwasrichtlijn en ter verduidelijking, in beide wetten een expliciete grondslag 

voor het intrekken van een vergunning op te nemen met betrekking tot overtredingen van de Wwft. Een dergelijke grondslag zal ook worden opgenomen in de Wet op de kansspelen. 

Publicatiebevoegdheden toezichthoudende autoriteiten

Aan de toezichthoudende autoriteit wordt de bevoegdheid toegekend om een waarschuwing of publieke verklaring uit te vaardigen indien een instelling een overtreding van de Wwft begaat. Naar huidig recht was dit ten aanzien van banken en beleggingsondernemingen reeds mogelijk, in geval van een overtreding gerangschikt in de derde boetecategorie. Deze bevoegdheid zal worden uitgebreid, waardoor het ten aanzien van alle instellingen en bij overtredingen gerangschikt in de tweede en derde categorie mogelijk wordt om een waarschuwing of verklaring te publiceren.

Voorts worden de toezichthoudende autoriteiten verplicht om – in beginsel – alle besluiten openbaar te maken waarbij een bestuurlijke sanctie of maatregel is opgelegd vanwege een overtreding van een nationale bepaling ter omzetting van de vierde anti-witwasrichtlijn. De Wwft voorziet naar huidig recht niet in openbaarmakingbevoegdheden, dan wel –verplichtingen, voor de toezichthoudende autoriteiten. Bij de totstandkoming van het openbaarmakingsregime in de Wwft is aangesloten bij de Wft. De richtlijn voorziet in een aantal uitzonderingen op deze beginselplicht, op grond waarvan een besluit geanonimiseerd, later of zelfs helemaal niet openbaar wordt gemaakt. Deze uitzonderingsgronden worden in de Wwft overgenomen.

Het openbaar maken van sanctiebesluiten draagt bij aan de kenbaarheid van de activiteiten van de toezichthoudende autoriteiten, waardoor het publiek kennis kan nemen van het optreden van de toezichthoudende autoriteiten en de gronden daarvoor. Daarnaast leidt het openbaar maken van sanctiebesluiten ertoe dat andere instellingen kennis nemen van de gedragingen die kunnen leiden tot handhaving en de invulling die de toezichthoudende autoriteit aan wettelijke normen geeft. Tot slot kan van openbaarmaking een ontmoedigend effect uitgaan op andere instellingen om overtredingen te begaan. In de beginselplicht tot openbaarmaking van sanctiebesluiten komt tot uitdrukking dat deze belangen bij openbaarmaking in beginsel opwegen tegen het belang van de overtreder dat de overtreding niet bekend wordt. Desalniettemin is de toezichthoudende autoriteit gehouden een afweging hieromtrent te maken, omdat er in voorkomende gevallen aanleiding kan bestaan om een sanctiebesluit anoniem, uitgesteld of zelfs niet openbaar te maken indien de belangen van de overtreder onevenredig zouden worden geschaad (zie ook het voorgestelde artikel 32g).

Met het onderhavige wetsvoorstel wordt ook voorzien in de mogelijkheid om een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete openbaar te maken nog voordat het onherroepelijk is geworden en een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom openbaar te maken indien de dwangsom is verbeurd. In dat geval dient een termijn van vijf dagen in acht te worden genomen waarin de betrokkene de gelegenheid heeft om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen teneinde het besluit tot publicatie eerst aan een rechterlijke toetsing te onderwerpen. Alvorens over te gaan tot openbaarmaking dient de toezichthoudende autoriteit steeds een afzonderlijk besluit tot openbaarmaking te nemen, waartegen rechtsmiddelen openstaan. 

Lees de volledige tekst van wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141), alsmede in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1781/2006 (PbEU 2015, L 141) (Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn)