Kwaliteitstoets advocaat, notaris en gerechtsdeurwaarder - Grondslag verwerking persoonsgegevens AVG

Geschreven door Lexalert
Foto: Blue Coat Photos  
Inleiding 
Dit wetsvoorstel combineert een aantal onderwerpen. Allereerst strekt het ertoe de beroepskwaliteitstoetsingen nader te regelen die passen bij de huidige beroepsuitoefening in de advocatuur, het notariaat en de gerechtsdeurwaarderij. Voor de advocatuur gaat het om het aanvullen van een wettelijke opdracht aan de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) voor de uitvoering van deze kwaliteitstoetsingen, terwijl het voor de beide andere juridische beroepsgroepen uitsluitend gaat om het aanvullen van een reeds bestaande wettelijke grondslag. De kwaliteitstoetsingen kunnen inmiddels rekenen op een breed draagvlak  binnen de drie beroepsorgani- saties en worden  in de praktijk  van de notarissen  en de gerechtsdeur- waarders  al een aantal jaren toegepast. 
Voorts behelst het voorstel een aantal aanpassingen van wetstechnische en van redactionele aard, betrekking  hebbend op alle drie de beroeps- groepen. Deze wijzigingen zijn grotendeels procedureel van karakter, herstellen soms een wetgevingstechnische omissie zoals een verouderde verwijzing, en hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze technisch van aard zijn. 
 
Kwaliteitstoetsen 
In de Wet positie  en toezicht advocatuur is in artikel 26 van de Advoca- tenwet  de wettelijke grondslag neergelegd voor het uitvoeren van beroepskwaliteitstoetsen. Daarbij heeft voor ogen gestaan dat ook de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur is gebaat bij intercolle- giale toetsing. Deze wet is op 1 januari 2015 in werking getreden,  echter met uitzondering van voornoemd artikel 26.1 De inrichting van de kwaliteitstoetsen heeft de nodige voorbereiding gevergd  in de beroeps- groep van de advocatuur. Met het vaststellen  van de wijzigingsveror- dening kwaliteitstoetsen op 21 juni 2017 door het college van afgevaar- digden zijn deze voorbereidingen afgerond (zie ook hierna onder Privacy Impact Assessment).  In afwachting van de aanpassing  van de wettelijke regeling roepen de NOvA en de lokale dekens advocaten op om al zoveel mogelijk met de toetsingen aan de slag te gaan. Advocaten  kunnen kiezen uit drie vormen  van beroepskwaliteitstoetsing: de intervisie, een peer review  of het gestructureerde intercollegiale overleg.  Alle toetsingen betreffen de professionele aanpak van de beroepsbeoefenaar en de kantoororganisatie waar hij of zij werkzaam is. Wil de uitvoering van deze kwaliteitstoetsen doelmatig en doeltreffend zijn, dan zullen er door de toetser ten behoeve van de verslaglegging (persoons)gegevens moeten worden  verwerkt.  Zodra het gewijzigde artikel 26 zal zijn ingevoerd, kan registratie van gespreksleiders en reviewers bij de algemene  raad plaatsvinden. 
Per 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)2 in werking getreden die de Wet bescherming persoonsgegevens heeft vervangen. Het begrip «verwerken» heeft onder de AVG een brede werking. Zo valt het enkele verzamelen, opvragen, raadplegen en ordenen al onder het verwerkingsbegrip. In het kader van een intercollegiale toetsing, waarbij een toetsingsexpert een aantal dossiers onder de professionele loep neemt, zullen dus ook gegevens kunnen worden verwerkt in de zin van de privacyverordening. Het gaat hierbij dus om de gegevensverwerking door de toetser van de beroepskwaliteit, die het kantoor bezoekt, niet om de initiële gegevensverwerking ten behoeve van het dossier tussen de cliënt en de beroepsbeoefenaar. Bij een dergelijke «verwerking» kent het stelsel van de bij wet gereguleerde juridische beroepsgroepen reeds ingebouwde waarborgen voor de privacy.  Deze toetsers zijn immers  meestal collega-beroepsbeoefenaren die evenzeer onderworpen zijn aan een – in geval van advocaten en notarissen wettelijke – geheimhoudingsplicht als de collega die gevisiteerd wordt. Als het geen collega’s maar externe auditors zijn – zoals bij de gerechts- deurwaarders gebruikelijk is – dan geldt eveneens een wettelijke geheimhoudingsplicht. 
In verband  met de artikelen  6, eerste lid, 9 en 10 van de AVG en paragraaf 3.1 onderscheidenlijk 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG)3 is niettemin gekozen voor een aanvul- lende wettelijke regeling. Om de kwaliteitstoets op een goede wijze mogelijk te maken in de advocatuur wordt een lid toegevoegd aan artikel 26 van de Advocatenwet, waarin  kennisneming van de bijzondere persoonsgegevens is opgenomen. Met de bepaling is niet beoogd onderscheid te maken naar type zaken die kunnen worden  onderworpen aan een kwaliteitstoets. Want het spreekt voor zich dat de kwaliteits- toetsen zich kunnen uitstrekken – afhankelijk  van de steekproef  die door de beroepskwaliteitstoetser wordt getrokken – tot alle dossiers die bijvoorbeeld in een advocatenpraktijk worden  behandeld. Doel van de kwaliteitstoetsen is nu eenmaal een goed inzicht te verkrijgen in de kwaliteit van de beroepsuitoefening van het bezochte advocatenkantoor in het algemeen  en van de professionele werkwijze van de individuele advocaat in het bijzonder.  Aan dit doel zou afbreuk worden  gedaan indien op voorhand bekend is dat dossiers waarin  bijzondere  gegevens zijn opgenomen (bijvoorbeeld strafdossiers of ontslagdossiers, insolventie- dossiers of dossiers inzake letselschade)  niet aan een dergelijke toets onderhevig zouden zijn. 
Men zou zelfs kunnen zeggen dat ieder advocatendossier per definitie bijzondere  persoonsgegevens zal bevatten omdat de advocaat nu eenmaal voor een goede behandeling van de zaak alle bijzonderheden nodig  heeft. Dat wil allerminst zeggen dat de beroepskwaliteitstoetser die persoonlijke gegevens ook opneemt in zijn verslag. Het gaat er bij de toetsing immers  om dat de beroepsbeoefenaar en zijn professionele aanpak van de verschillende dossiers centraal staat, en niet de cliënt waarvoor hij werkzaam is. In het toetsingsverslag worden  de persoonlijke gegevens dus ook niet opgenomen. Een toetsingsverslag bevat een tot op zaaksniveau geabstraheerd relaas van hetgeen de beroepskwaliteits- toetser heeft aangetroffen en besproken  bij zijn visitatie.  De persoonlijke gegevens van de cliënt zijn niet relevant  voor de kwaliteit van de beroepsbeoefenaar, en worden  dus ook niet vermeld in het verslag c.q. worden  geanonimiseerd in het verslag van de toetsing. 
Dezelfde argumenten gelden ook voor het notariaat en de gerechtsdeur- waarderij. Deze beide beroepsgroepen hebben al de nodige ervaringen opgedaan de afgelopen jaren met de (driejaarlijkse) toetsingspraktijk. De intercollegiale toetsing verloopt in het notariaat via peer reviews en bij de gerechtsdeurwaarders via externe door de Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders (KBvG) aangewezen auditors. Aangezien het wenselijk  is om de regelgeving voor notarissen, deurwaarders en advocaten waar mogelijk te harmoniseren is er voor gekozen om de nieuwe aanvullende formuleringen in artikel 61a van de Wet op het notarisambt en in artikel 57a van de Gerechtsdeurwaarderswet zoveel mogelijk gelijk te laten luiden  als dat in artikel 26 Advocatenwet is gedaan voor de advocatuur. In alle drie de situaties  gaat het erom dat de aangewezen deskundigen bijzondere  persoonsgegevens mogen verwerken in de zin van de AVG, maar alleen voor zover die gegevens noodzakelijk  zijn voor de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de kwaliteitstoetsen. 
 
Kritische intercollegiale toets en toetsingsverslag 
In artikel 26 van de Wet positie  en toezicht advocatuur is al bepaald dat de kwaliteitstoetsing wordt verricht  door deskundigen die worden  aange- wezen door de algemene  raad van de NOvA. Zoals gezegd is deze wetswijziging op verzoek van de NOvA niet op 1 januari 2015 in werking getreden in afwachting van de voorbereidingen die binnen de advocatuur moesten worden  getroffen. Aangezien de kwaliteit van de beroepsuitoe- fening moet worden  beoordeeld, zijn (in het geval is gekozen voor peer review)  deze deskundigen advocaten met de nodige ervaring  in het vak. Het gaat hier immers  om een kritische  intercollegiale toetsing. Zo ligt het in de rede om bij de uitoefening van een kwaliteitstoets bij een gespeciali- seerd strafrechtadvocaat de kwaliteitstoets te laten uitoefenen door een advocaat gespecialiseerd in strafzaken. In de dossiers zullen veel strafrechtelijke persoonsgegevens zijn opgenomen. Zo kan blijken  dat iemand  wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit, en dat er wellicht meer verdachten in de zaak zijn en of de verdachte  een strafblad heeft. Het zijn allemaal  gegevens die van belang zijn om te kunnen beoordelen of een zaak op de juiste wijze door de advocaat is aangepakt. Het op voorhand anonimiseren van de gegevens kan afbreuk doen aan een juiste uitoefening van de kwaliteitstoets. Juist het inzicht in de cliënt specifieke gegevens is nodig  om te beoordelen of de zaak op een juiste wijze is behandeld. Want het is belangrijk dat de toetser een totaalover- zicht in de zaak heeft om op die manier te kunnen beoordelen of op een juiste wijze is omgegaan  met de feiten en de combinatie van feiten. 
Gelet op de kennisneming van persoonsgegevens door de kwaliteits- toetser was in artikel 26, derde lid, al geregeld dat deze kwaliteitstoetser een afgeleide  geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht heeft. Met deze bepaling blijft gewaarborgd dat de cliënt specifieke en vertrouwelijke gegevens in een advocatendossier niet verder worden  verspreid  dan voor de toetsing noodzakelijk  is. De afgeleide  geheimhoudingsplicht is van gelijke reikwijdte als die van de advocaat die het dossier heeft behandeld. Dat betekent dat de informatie binnen een zeer beperkte kring van deskundigen blijft.  Dat strookt met de bedoeling van de kwaliteitstoetsen. Het gaat erom dat de vakgenoten elkaar met hun expertise  kunnen aanspreken om daarmee de kwaliteit van de dienstverlening die voor een rechtzoekende moeilijk te beoordelen is, te bevorderen. Dit draagt bij aan het op peil houden en waar mogelijk verder verbeteren van hoogwaardige juridische dienstverlening en is daarmee van belang voor een kwalitatief goede toegang  tot het recht. Nogmaals zij benadrukt dat het feit dat de toetsers kennis mogen nemen van allerlei  bijzondere  gegevens in het dossier, niet betekent dat zij over die bijzonderheden ook rapporteren in hun toetsingsverslag. De persoonlijke gegevens van de cliënt zijn immers niet relevant  voor de beoordeling van de beroepskwaliteit en worden achterwege gelaten of geanonimiseerd. De publiekrechtelijke beroepsor- ganisatie  (de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), de KBvG en de NOvA) ontvangt uitsluitend dit resultaat van de periodieke  beroeps- kwaliteitstoetsing, waarin  dus geen gegevens vermeld staan die tot de persoon  van de cliënt herleidbaar zijn. 
 
Ten aanzien van het notariaat en de gerechtsdeurwaarders is het niet anders: de toetser moet overal kennis van kunnen nemen, maar zal in zijn relaas van bevindingen geen tot de persoon  van de cliënt herleidbare persoonsgegevens opnemen. Net zoals bij de advocatuur is voor de kwaliteitstoetser bij de notarissen  in artikel 61a, derde lid, van de Wet op het notarisambt al geregeld dat deze kwaliteitstoetser een afgeleide geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht heeft. Voor de regeling van de gerechtsdeurwaarders is, in het kader van de harmonisatie, aansluiting gezocht bij de regeling zoals die geldt voor het notariaat.  Ook voor gerechtsdeurwaarders geldt een geheimhoudingsplicht inzake artikel 5 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders. 
Met de kwaliteitstoets geven de beroepsorganisaties verdere invulling aan hun wettelijke taak: het bevorderen van een goede beroepsuitoefening en de vakbekwaamheid van haar leden. 
Volg op 19 november 2019 van 15u00 uur tot 16u00 uur het online seminar GRATIS | Contract drafting, video contracting software en legal entity management voor bedrijfsjuristen, advocaten, notariaat en HR-managers met Senne MENDES en Laurens THEUNIS en Filip CORVELEYN
Financiële aspecten en de gevolgen  voor de regeldruk 
De toevoeging van de drie vergelijkbare artikelleden betreft  een bevoegdheid voor de juridische beroepsgroepen om in het kader van de kwaliteitstoetsing het bewerken  van bijzondere  persoonsgegevens mogelijk te maken voor zover dat noodzakelijk  is voor het doel van de kritische  intercollegiale toets. Dit zal geen aanvullende kosten voor cliënten c.q. afnemers  van de juridische dienstverlening met zich mee brengen. De administratieve lasten en de tijd van het voorbereiden en ondergaan van een kwaliteitstoets vormen  de regeldruk  voor de beroeps- beoefenaar  zelf. Voor wat het notariaat en de gerechtsdeurwaarderij betreft zijn deze driejaarlijkse kwaliteitstoetsen al staande praktijk  en gaat het uitsluitend om het aanvullen van de wettelijke grondslag. Voor de advocatuur is de wettelijke opdracht om kwaliteitstoetsen in te voeren reeds opgenomen in de Wet positie  en toezicht advocatuur. Met voorliggend wetsvoorstel wordt dan ook geen nieuwe  of aanvullende plicht ingevoerd. Het strekt louter tot nadere aanvulling van die wettelijke grondslag. Het onderhavige wetsvoorstel heeft dus ook geen nieuwe gevolgen  voor de regeldruk  van juridische beroepsbeoefenaars. Een moderne opvatting van de rol van de juridische beroepen  brengt  met zich mee dat – mede gezien het domeinmonopolie en de afhankelijkheid die cliënten hebben ten opzichte van deze beroepsbeoefenaars – een onafhankelijke kwaliteitstoetsing en een kritische  zelfreflectie onlosma- kelijk bij de beroepsuitoefening zijn gaan horen. 
 
Privacy Impact Assessment 
De vraag rijst hoe de verwerking van de bijzondere  persoonsgegevens zich verhoudt tot het recht op bescherming van persoonsgegevens. Dit recht vormt een onderdeel van het meer omvattende recht op eerbie- diging van het privéleven, neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het onderstaande wordt eerst ingegaan  op de verhouding van de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens in het kader van de kwaliteitstoetsing tot artikel 8 EVRM en daarna op de verwerking van persoonsgegevens op grond  van de AVG. 
Bijzondere  persoonsgegevens worden  beschermd omdat het een inbreuk op het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer  kan betekenen. Onder omstandigheden mag een inbreuk  op dit recht worden gemaakt. Het EVRM stelt daarbij als eis dat er een legitiem doel wordt nagestreefd  en dat de inbreuk  noodzakelijk  moet zijn in een democra- tische samenleving waarbij het proportionaliteitsbeginsel en het subsidia- riteitsbeginsel in acht moet zijn genomen. 
Door de mogelijkheid tot het verwerken  van bijzondere  persoonsgegevens in het kader van de kwaliteitstoetsen voor de juridische beroepsgroepen in de wet voor elke van de drie beroepsgroepen te verankeren, wordt de kwaliteit van de dienstverlening van de juridische beroepsgroepen gewaarborgd en verbeterd. Kritische zelfreflectie hoort bij een hoge kwaliteit van de juridische dienstverlening. Burgers en bedrijven moeten er van op aan kunnen dat de dienstverlening waarop  zij in sommige gevallen  zijn aangewezen kwalitatief hoog is. Een kritische  en deskundige collegiale  blik helpt daarbij.  Tegelijkertijd is het vertrouwelijke karakter van de dienstverlening essentieel. De belangrijkste waarborg daarvoor vormen  de wettelijke geheimhoudingsplichten. Maar ook moet gewaar- borgd  zijn dat de bijzondere  persoonsgegevens uitsluitend mogen worden geraadpleegd (en dus «verwerkt» in de zin van de verordening) indien  dat noodzakelijk  is voor de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de toetsing. De wettelijke formuleringen zijn daarom strikt geredigeerd. Het aantal personen  dat door de kwaliteitstoetsing in aanraking  komt met de bijzondere  persoonsgegevens is gering. Van indirect contact kan sprake zijn bij kantoorpersoneel dat uit hoofde van de functie  toegang  heeft tot de bijzondere  persoonsgegevens. Ook voor hen geldt een (afgeleide) wettelijke geheimhoudingsplicht. 
Er zijn verschillende methoden van beroepskwaliteitstoetsing. In de deurwaarderij is een externe audit gebruikelijk vanwege  de scherpe onderlinge concurrentieverhoudingen. Deze auditor rapporteert aan de KBvG op een wijze die niet tot de persoon  van de opdrachtgever of de debiteur  herleidbaar is. In het notariaat wordt ieder kantoor eens in de drie jaar getoetst  via een peer review,  waarbij aan de hand van 19 criteria het kantoor geacht wordt eerst een voorbereidende zelfevaluatie  uit te voeren. Op basis daarvan volgen  er gesprekken, een dossieronderzoek, en een eindgesprek. Advocaten  kunnen kiezen uit drie vormen  van beroeps- kwaliteitstoetsing: de intervisie, een peer review  of het gestructureerde intercollegiale overleg.  Bij peer review  worden  er tenminste vijf dossiers kritisch  bekeken. Bij de beide andere vormen  van kwaliteitstoetsing kunnen diverse dossiers ter plekke worden  geraadpleegd. In alle gevallen worden  er gesprekken gevoerd  met de beroepsbeoefenaar zelf en met kantoorgenoten over zijn of haar aanpak en ervaringen, om zo de goede beroepsuitoefening te toetsen. Er is geen sprake van koppeling, verrijking of vergelijking van gegevens uit verschillende bronnen. Artikel 12 van de AVG schrijft voor dat de verantwoordelijke aan de betrokkene  kenbaar moet maken dat zijn persoonsgegevens verwerkt worden. Aan deze verplichting wordt in de praktijk  voldaan.  Cliënten van de notarissen  en gerechtsdeurwaarders worden  geïnformeerd dat in het kader van de kwaliteitstoetsen steekproefsgewijs dossiers worden  bekeken door een deskundige die onderworpen is aan een wettelijke geheimhoudingsplicht en dat de beroepsbeoefenaren en de toetser gebonden zijn aan de verplichtingen voortvloeiend uit de AVG. Voor de advocatuur geldt het volgende. De verplichting in het kader van de kwaliteitstoetsen houdt in dat advocaten gehouden zijn ieder jaar een vorm  van gestructureerde feedback te ondergaan. Zoals hiervoor aangegeven worden  alleen bij peer review  dossiers ingezien. Gelet op de voorgestelde wijzigingen in artikel 26 Advocatenwet met betrekking  tot bijzondere  persoonsgegevens en de al opgenomen geheimhoudingsplicht in artikel 26, is aparte vermelding van kenbaarheid  aan cliënten – naast de reguliere melding dat advocaten verplichtingen uit hoofde van de AVG dienen na te komen – niet nodig. 
De juridische beroepsorganisaties hebben in (bindende) verordeningen en reglementen nadere regels vastgesteld omtrent de kwaliteitstoetsen. Op 21 juni 2017 is door het college van afgevaardigden de wijzigingsveror- dening kwaliteitstoetsen vastgesteld.  Op 4 september  2017 is door de algemene  raad de wijzigingsregeling op de kwaliteitstoetsen aange- nomen. In de wijzigingsverordening en de wijzigingsregeling worden nadere regels gesteld over uitvoeringsvereisten aan de vormen  van gestructureerde feedback binnen de advocatuur. Deze wijzigingen treden in werking als de wijzigingen in artikel 26 Advocatenwet in werking treden. Eerder al werden  vergelijkbare nadere regels opgesteld in de KNB verordening op de kwaliteit met bijbehorend reglement, en in de KBvG normen voor Kwaliteit, eveneens met bijbehorend reglement. 
Aan al deze normen uit de verordeningen wordt de nakoming van de beroepskwaliteitsnormen door de advocaat, de notaris of de gerechts- deurwaarder getoetst  en indien  nodig  gesanctioneerd door de tucht- rechter. Het doel voor de gegevensverwerking is hiermee  welbepaald en duidelijk omschreven. De beroepskwaliteitstoets beoogt een kwalitatief hoge juridische dienstverlening te waarborgen. De verantwoordelijken voor de daarvoor noodzakelijke gegevensverwerking zijn de aangewezen deskundigen en de beroepsorganisaties. Hun wettelijke taak is het bevorderen van een goede beroepsuitoefening en vakbekwaamheid van haar leden. De kwaliteitstoets maakt dit tastbaar, bevordert het concrete debat tussen beroepsgenoten over de invulling van de dagelijkse praktijk en draagt aldus zeker bij aan deze wettelijke taakstelling. 
 
 
Consultatie 
Een concept van dit wetsvoorstel is ter consultatie voorgelegd aan de KBvG, de KNB, NOvA, de Raad voor de rechtspraak, de raad voor rechtsbijstand, de raden van discipline, het hof van discipline, het Adviescollege toetsing regeldruk  (hierna: ATR) en de Autoriteit Persoons- gegevens (hierna: AP)4. Een concept van dit wetsvoorstel is tevens ter internetconsultatie aangeboden. Een reactie is ontvangen van de KBvG, de KNB, NOvA, de Raad voor de rechtspraak, de raad voor rechtsbijstand, de raden van discipline, het Adviescollege toetsing regeldruk  en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP). 
De KBvG en de Raad voor de rechtspraak hebben aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen. De ATR heeft aange- geven geen formeel  advies uit te brengen  nu de conclusie  gedeeld wordt dat er geen gevolgen  voor de regeldruk  zijn. De raad voor rechtsbijstand laat weten met instemming kennis te hebben genomen  van het wetsvoorstel. De overwegingen die in het verlengde van de reactie op onderhavig wetsvoorstel worden  meegegeven vallen buiten het bestek van het wetsvoorstel en worden  bij een andere gelegenheid meegenomen. 
De KNB heeft aangegeven inhoudelijk geen bezwaren te hebben tegen de voorgestelde wijzigingen. De KNB geeft in overweging om aanvullend een tweetal  technische  wijzigingen door te voeren in de artikelen  6, tweede lid, onderdeel a, onder 1, en in artikel 99, zestiende lid, van de Wet op het notarisambt. Beide wijzigingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel (zie artikel III, onderdelen B en F en de artikelsgewijze toelichting). 
Voor wat betreft  de voorgenomen wetstechnische wijzigingen en de wijzigingen met betrekking  tot de kwaliteitstoetsen geeft het ontwerp de NOvA geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. In de consultatiereactie spreekt de NOvA de teleurstelling uit over het ontbreken van een eenduidige regeling van de inning van het griffierecht in tuchtzaken. Deze teleurstelling wordt geheel gedeeld. Helaas is het tot op heden niet gelukt om hierover  met de raden van discipline, het hof van discipline, de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur en de NOvA overeenstemming te bereiken. Nu het overleg  over de inning van het griffierecht voortduurt en de NOvA er ook op aandringt dat onder- havig wetsvoorstel zo snel mogelijk is ervoor  gekozen om een wijziging van de regeling van het griffierecht in een volgend wijzigingsvoorstel van de Advocatenwet op te nemen. 
 
De raden van discipline hebben het wetsvoorstel voor wat de Advoca- tenwet  betreft  bestudeerd en hebben daar geen op- of aanmerkingen bij. In het verlengde van het wetsvoorstel verzoeken de raden om artikel 46 Advocatenwet aan te vullen  met de zin «De raden en het hof van discipline voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als de gewone  rechterlijke colleges.» Volgens de raden maakt de wet dan duidelijk dat de tuchtcol- leges advocatuur geen instanties zijn die «advocaten  onderling alleen maar de hand boven het hoofd houdt». De raden menen dat deze toevoeging ieder misverstand bij de beroepsgroep, de burger  en het bedrijfsleven voorkomt. Aan dit verzoek wordt niet tegemoet  gekomen. Uit bestaande wetgeving blijkt  reeds afdoende  dat er kwaliteitseisen aan de tuchtcolleges advocatuur worden  gesteld, die mede tot doel hebben de onafhankelijke positie  van de tuchtrechtspraak te waarborgen. De Grondwet bepaalt in artikel 113, tweede lid, dat het door de overheid ingestelde  tuchtrecht bij wet wordt geregeld.  Voor de advocatuur is dat geregeld in paragraaf  4 van de Advocatenwet, waarin  onder meer de samenstelling van de tuchtcolleges en de benoemingsvereisten voor de voorzitter en de leden is geregeld.  Voor wat de benoemingsvereisten betreft is zoveel mogelijk aangesloten  bij de benoemingsvereisten die voor rechters in de reguliere rechtspraak gelden. In dit verband  wordt gewezen op de artikelen  46b, 51, 52 en 54 van de Advocatenwet. 
De AP verzoekt om een nadere onderbouwing van het in artikel 9, tweede lid, onder g, van de AVG genoemde  zwaarwegend algemeen  belang. Voorts vraagt de AP de memorie van toelichting aan te vullen  met passende en specifieke maatregelen die getroffen worden  ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen  van betrokkene. 
Het in het leven roepen van een wettelijke grondslag voor de mogelijkheid tot het verwerken  van bijzondere  persoonsgegevens in het kader van beroepskwaliteitstoetsen door de juridische beroepsgroepen is niet primair bedoeld  in het belang van het waarborgen van de ontwikkeling van de drie beroepsgroepen zelf. Het gaat vooral om de belangen  van diegenen  die ervoor  kiezen, of zelfs genoodzaakt  zijn, om een beroep te doen op de dienstverlening van een van de drie juridische beroeps- groepen. De cliënt of de opdrachtgever is voor bepaalde vormen  van dienstverlening in het rechtsbestel  (bijvoorbeeld het laten uitbrengen van een dagvaarding of het laten opmaken  van een testament)  aangewezen op juridische beroepsbeoefenaars die een domeinmonopolie hebben. Het is dan juist in het belang van de burger  of het bedrijf  dat van die dienst- verlening afhankelijk  is, dat bij de beroepsbeoefenaar een hoogstaand niveau van kwaliteit verzekerd is en dat zulks periodiek  en kritisch  wordt getoetst. 
Een dergelijke toets moet een representatieve steekproef  behelzen van hetgeen de juridische dienstverlener doet, en dus over de volle breedte van zijn dossiers kunnen gaan, dat wil zeggen inclusief  de bijzondere persoonsgegevens die in een dossier meestal aanwezig zullen zijn, en inclusief  de gegevens van strafrechtelijke aard die aanwezig kunnen zijn, en in een dossier van een strafrechtadvocaat aanwezig zullen zijn. Deze casuïstiek is onlosmakelijk verbonden met een analyse van de aanpak van het dossier, en vormt juist de context  van de toetsing. Pas met inbegrip van die context  kan een kwaliteitstoets voldoende concreet en kritisch  zijn. De dienstverlening van de advocaat, de notaris of de gerechtsdeur- waarder wordt nu eenmaal verzocht met het oog op een optimale behartiging van de individuele belangen, feiten en omstandigheden. Als dat laatste niet in de kwaliteitstoets zou mogen worden  meegewogen, verliest  die toets aanmerkelijk aan scherpte. 
Het van tevoren  niet herleidbaar maken van alle persoonsgegevens in een dossier, zoals de AP suggereert, zou afdoen aan het uiteindelijke doel. Dat doel is de toetser in staat stellen om optimaal te kunnen beoordelen of in deze specifieke casus de professioneel juiste aanpak is gevolgd. Het zou daarnaast een behoorlijke administratieve last met zich mee brengen, en ook onnodig zijn gezien de discretie  waarmee  de beroepskwaliteits- toetsers te werk moeten gaan, hetzij als toetser, hetzij als beroepsbeoe- fenaar zelf. Daarbij gaat het niet alleen om de wettelijke geheimhoudings- plichten als zodanig, maar ook om de passende waarborgen die zijn ingebouwd via de betrokken beroepsverordeningen van de NOvA, de KNB en de KBvG, welke nadere regels bindend zijn voor iedere beroepsbeoe- fenaar en waaraan de tuchtrechter toetst. 
 
Als voorbeeld zij vermeld de invulling van de geheimhoudingsplicht die op de gerechtsdeurwaarder rust: De gerechtsdeurwaarder verwerkt vertrouwelijke gegevens die in de uitoefening van zijn beroep te zijner kennis zijn gekomen, niet verder of anders, en aan die gegevens geeft hij niet verder of anders bekendheid,  dan voor de zorgvuldige vervulling van zijn beroep wordt vereist en hem bij of krachtens de wet is toegestaan (artikel 5 van de KBvG-Verordening beroeps- en gedragsregels en artikel 57a Gerechtsdeurwaarderswet). 
Een ander voorbeeld is dat de geheimhoudingsplicht niet alleen voor de kwaliteitstoetser geldt, maar ook voor het betrokken kantoorpersoneel. De toetsing mondt  uiteindelijk uit in een geobjectiveerde rapportage omtrent de bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de beroepsuitoefening, waarin  zich uiteraard geen bijzondere  persoonsgegevens bevinden. Deze rapportages worden  dus niet met naam en toenaam ter beschikking gesteld aan de beroepsorganisaties en evenmin aan de toezichthouder, het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Het BFT ontvangt twee maal per jaar een overzichtsrapportage met geaccumuleerde gegevens, trends en anonieme casusbeschrijvingen.