Nieuwe regels pensioenverdeling bij scheiding 2021

Geschreven door Lexalert
Foto: Les Chatfield  

Bij een scheiding moeten over veel zaken afspraken worden gemaakt. Afspraken over kinderen, huisvesting en financiële middelen hebben de hoogste prioriteit. In veel gevallen ontbreekt het echter aan goede afspraken over het inkomen voor later, het pensioen. De verdeling van pensioen bij scheiding heeft een wettelijke basis: de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps). Bij de evaluatie van de Wvps is gebleken dat de wet beperkt gebruikt wordt, te vaak nog onbekend is bij burgers en scheidingsprofessionals en dat de uitvoering voor verbetering vatbaar is. Met dit wetsvoorstel wordt de opzet verbetert. Bovendien wordt de wet vernieuwd om te kunnen voldoen aan de eisen van de huidige tijd. De nieuwe regels zijn van toepassing op scheidingen vanaf de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Voor de inzichtelijkheid is er daarom voor gekozen om een nieuwe wet op te stellen: de Wet pensioenverdeling bij scheiding 2021 (Wps 2021).

1. Conversie als standaard 

Na een scheiding kan het ouderdomspensioen op grond  van de Wvps op twee manieren  verdeeld worden: verevening (voorwaardelijke verdeling bij pensioeningang) of conversie  (onvoorwaardelijke verdeling op moment van scheiding). Onder de Wvps is verevenen  de standaard.  Met het wetsvoorstel Wps 2021 wordt verdeling door middel van conversie  de standaard manier van verdelen.  Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat, zowel bij verevening als bij conversie, het ouderdomspensioen van beide ex-partners wederzijds  verdeeld wordt.  Partner A heeft recht op een deel van het tijdens  de huwelijkse periode  opgebouwde ouderdomspen- sioen van partner  B, en vice versa. Niet enkel het opgebouwde ouderdomspensioen van de meest verdienende partner  wordt verdeeld. 
 
1.1. Voor- en nadelen van conversie 
Het belangrijkste voordeel van conversie  is dat de levenslange  afhanke- lijkheid tussen ex-partners wat pensioen  betreft,  definitief wordt verbroken. De life-events «met pensioen  gaan» en «overlijden» van de verdelingsplichtige partner  zijn voor de verdelingsgerechtigde partner  bij conversie  niet langer relevant. De ex-partner is niet meer afhankelijk  van het in leven zijn van de verdelingsplichtige partner  en van de keuzes die hij/zij maakt met betrekking  tot het ouderdomspensioen. De verdelingsge- rechtigde  partner  krijgt bij conversie  een zelfstandige  aanspraak op ouderdomspensioen en kan daar zelfstandig keuzes voor maken, dus zelf bepalen wat de pensioeningangsdatum wordt,  of hij/zij een vast of variabel pensioen  wil, wel of geen hoog-laag constructie, etc. De verdelingsgerechtigde partner  kan er sinds 1 maart 2018 bijvoorbeeld voor kiezen om het geconverteerde ouderdomspensioen naar een eigen pensioenregeling over te dragen indien  de pensioenregeling daarin voorziet.26 Kortweg  komt het erop neer dat de verdelingsgerechtigde partner  dezelfde rechten en plichten krijgt als een gewone  gewezen deelnemer  («slaper») bij de pensioenuitvoerder. Bij verevening is het niet mogelijk dat de verdelingsgerechtigde partner  dergelijke keuzes zelf kan maken, ook niet wat betreft  de pensioeningangsdatum. Als dat wel zou kunnen, dan is de facto sprake van conversie. 
Een bijkomend voordeel van conversie  ten opzichte van verevening is dat de communicatie richting ex-partners eenvoudiger en eenduidiger is. Bij verevening van een ouderdomspensioen krijgt een verdelingsgerechtigde partner  een voorwaardelijk recht op een deel van het ouderdomspen- sioen. Dit recht is niet op zijn of haar leven gebaseerd, en hierover ontvangt de verdelingsgerechtigde partner  geen pensioenoverzichten. Daarnaast is op Mijnpensioenoverzicht.nl voor de verdelingsplichtige partner  niet of nauwelijks te zien wat het gevolg  van een verevening is. Hooguit kan de verdelingsplichtige partner  zien dat een deel van het pensioen  zal worden  uitbetaald aan de ex-partner bij pensioeningang. De verdelingsplichtige partner  ziet dan dus een te rooskleurig beeld, terwijl de verdelingsgerechtigde partner  eigenlijk  niet goed weet wat hij of zij later uitgekeerd  zal krijgen  omdat dit niet zichtbaar is op Mijnpensi- oenoverzicht.nl. Het is belangrijk dat beide ex-partners goed inzicht hebben in het pensioen  dat zij naar verwachting later zullen ontvangen. 
 
Conversie vergroot dus het handelingsperspectief van beide ex-partners. Zeker als er een (groot)  leeftijdsverschil bestaat tussen de ex-partners is het van belang zelf regie te kunnen voeren op het pensioen.  Zonder zeggenschap over het uit te keren pensioen  komt het pensioen  naar alle waarschijnlijkheid bij verevening óf te vroeg óf te laat tot uitkering. 
Maar er zijn meer verschillen tussen verevening en conversie. Het grootste verschil betreft  de gevolgen  voor het verdeelde  ouderdomspen- sioen als de verdelingsgerechtigde partner  eerder overlijdt dan de verdelingsplichtige partner.  Bij verevening vloeit  het verdeelde ouderdomspensioen weer naar het ouderdomspensioen van de verde- lingsplichtige partner.  In diezelfde situatie  heeft conversie  een ander gevolg,  het geconverteerde ouderdomspensioen van de verdelingsge- rechtigde  partner  wordt niet langer uitgekeerd  en vloeit  niet terug naar de verdelingsplichtige partner.  Dit volgt uit het feit dat de verdelingsgerech- tigde partner  een eigen pensioenaanspraak heeft gekregen. Als daaren- tegen de verdelingsplichtige partner  eerst zou overlijden, behoudt  de verdelingsgerechtigde partner  na conversie  recht op het geconverteerde deel van het ouderdomspensioen. Bij verevening zou dat in dezelfde situatie  niet het geval zijn; het verevende  deel van het ouderdomspen- sioen voor de verdelingsgerechtigde partner  komt in dat geval niet tot uitkering of de reeds lopende  pensioenuitkering stopt. 
 
Er zijn ook gevolgen  voor het bijzonder  partnerpensioen als conversie  de standaard manier van verdelen wordt.  Bij conversie  komt er namelijk  geen recht op bijzonder  partnerpensioen tot stand. Het tijdens  de huwelijkse periode  opgebouwde partnerpensioen wordt meegenomen in de conversie  ten behoeve van de eigen aanspraak op ouderdomspensioen voor de verdelingsgerechtigde partner.  Na het overlijden van de verde- lingsplichtige partner  komt er dan geen bijzonder  partnerpensioen tot uitkering voor de verdelingsgerechtigde partner. 
 
Bij verevening van het ouderdomspensioen ontstaat  er een voorwaar- delijk recht op ouderdomspensioen en wordt op de scheidingsdatum het opgebouwde partnerpensioen afgesplitst ten behoeve van de verdelings- gerechtigde partner.  Als in dit geval de verdelingsplichtige partner overlijdt, komt er een zogenoemd bijzonder  partnerpensioen tot uitkering. In onderstaande tabel staan de gevolgen  van verevening en conversie  bij overlijden en pensionering schematisch  weergegeven. 
De voordelen van conversie  ten opzichte van verevening geven voor de regering  de doorslag om van conversie  de standaardmethode van verdelen te maken. Het is belangrijk dat beide ex-partners regie krijgen over hun eigen pensioen  en dat er op het gebied van pensioen  na scheiding geen (wederzijdse) levenslange  afhankelijkheid meer is.
 
1.2. Gevolgen  aanpassen standaard verdelingsmethode
Bij het wijzigen van de standaard verdelingsmethode zijn de volgende onderwerpen relevant:
1. een standaard is niet in elke situatie  de beste uitkomst, daarom blijven er afwijkingsmogelijkheden  bestaan;
2. weigeringsgrond pensioenuitvoerders bij aannemelijk misbruik;
3. de verdeling van het ouderdomspensioen en partnerpensioen;
4. de gevolgen  van het vervallen van alimentatie bij overlijden;
5. pensioenverweer, en
6. communicatie.
 
Het aanpassen van de standaardmethode heeft ook gevolgen  voor de uitvoering bij pensioenuitvoerders. Dit komt in hoofdstuk 7 bij regeldruk aan bod.
 
1. Conversie standaard, afwijkingen blijven mogelijk
In de praktijk  wordt er op dit moment weinig gebruik  gemaakt van afwijkingsmogelijkheden (zie ook paragraaf  2.2 onderdeel Beperkt gebruik van de wet). Buiten het afzien van verevening worden  er nauwelijks afwijkende afspraken gemaakt. Daar waar maatwerk nodig  is, bijvoor- beeld bij het verrekenen  van verschillende vermogensbestandsdelen bij een scheiding, is het echter wenselijk  dat deze afwijkingsmogelijkheden blijven bestaan en gebruikt kunnen worden  om tot een goede (vermo- gens)verdeling te komen. De regering  ziet daarom geen aanleiding om deze afwijkingsmogelijkheden af te schaffen.
 
Onder de Wvps hebben beide ex-partners wederzijds  recht op de helft van het tijdens  de huwelijkse periode  opgebouwde ouderdomspensioen. De nieuwe  standaard verdelingsmethode wordt conversie, waarbij zowel het tijdens  de huwelijkse periode  opgebouwde ouderdomspensioen als het tijdens  de huwelijkse periode  opgebouwde partnerpensioen 50/50 wordt verdeeld.  Verevening is na inwerkingtreding van het wetsvoorstel alleen mogelijk voor enkele uitzonderingssituaties, zoals benoemd  in artikel 5, eerste lid, van het wetsvoorstel. Uiteraard  worden  afspraken die gemaakt zijn onder de Wvps geëerbiedigd, dat wil zeggen dat bij scheidingen die voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel hebben plaatsgevonden verevening nog mogelijk is onder de voorwaarden die gelden onder de Wvps.
 
Er zijn situaties  denkbaar waarbij door scheidende  partners  waarde wordt gehecht aan een mogelijke uitkering van bijzonder  partnerpensioen na overlijden van de verdelingsplichtige partner.  De verdelingsgerechtigde partner  krijgt met dit wetsvoorstel daarom een eenzijdig keuzerecht om zijn of haar deel van het partnerpensioen buiten de conversie  te houden, waardoor er alsnog een recht op bijzonder  partnerpensioen ontstaat  voor de verdelingsgerechtigde partner.  Indien de verdelingsgerechtigde partner van deze mogelijkheid gebruik  wil maken, dient hij of zij de pensioenuit- voerder hierover  voor het aflopen  van de reactieperiode te informeren (zie hiervoor hoofdstuk 4). De pensioenuitvoerder is verplicht om hieraan mee te werken. Overigens lijkt deze keuzemogelijk minder relevant  als de verdelingsgerechtigde partner  inmiddels gepensioneerd is. Het geconver- teerde ouderdomspensioen voor verdelingsgerechtigde partner  komt dan immers  direct tot uitkering.
 
Ook voor scheidingen van tafel en bed wordt conversie  de standaard wijze van verdelen.  Waarbij wordt opgemerkt dat in deze situaties  alleen het ouderdomspensioen wordt geconverteerd. Bij een scheiding van tafel en bed blijven ex-partners volgens de wet met elkaar getrouwd, waardoor het partnerpensioen op grond  van de Pensioenwet beschikbaar blijft voor de ex-partner.27 Indien een huwelijk na een scheiding van tafel en bed wordt ontbonden blijven de afspraken die in het ter gelegenheid van de scheiding van tafel en bed gesloten  echtscheidingsconvenant zijn gemaakt, met betrekking  tot het ouderdomspensioen, gelden. Het bijzonder partnerpensioen wordt dan na de ontbinding van het huwelijk afgesplitst.
 
Het blijft ook mogelijk om in de huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant af te spreken om van pensioenverdeling af te zien. Ex-partners  behouden tevens het recht om een andere verdeling dan 50–50 af te spreken en/of over een andere periode  het ouderdomspen- sioen en het partnerpensioen te verdelen (korter of langer dan de huwelijkse periode).28 Ex-partners  kunnen bijvoorbeeld afspreken dat er wel voorhuwelijkse partnerpensioen wordt verdeeld,  maar geen voorhu- welijks  ouderdomspensioen of vice versa. In het wetsvoorstel wordt geen wettelijk mededelingsformulier voorgeschreven om dergelijke afwijkingen bij de betreffende pensioenuitvoerders(s) te melden.
 
2. Weigeringsgrond pensioenuitvoerders
In de Wvps is geregeld dat pensioenuitvoerders moeten instemmen met een conversie.29 Er is niet opgenomen op welke gronden  een pensioenuit- voerder kan weigeren  om mee te werken aan een conversie. In de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel30  is volstaan met de opmerking dat de pensioenuitvoerder van zijn bevoegdheid om al dan niet toestemming te verlenen een redelijk  gebruik  moet maken. Tijdens een mondeling overleg  gaf de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan dat de meest voor de hand liggende redenen voor weigering gelegen kunnen zijn in administratieve kosten en de wijziging van het risico.31 Met dit wetsvoorstel Wps 2021 vervalt  voor conversie  het instemmingsrecht van de pensioenuitvoerder. Pensioenuitvoerders zijn na inwerkingtreding van de wet verplicht mee te werken aan een conversie. Wel geldt er een weigeringsgrond voor de pensioenuitvoerder indien  er bij afwijkende afspraken meer (ouderdoms-)pensioen wordt toebedeeld aan de verdelingsgerechtigde partner  dan in de standaardverdeling en misbruik aannemelijk is. Het is niet de bedoeling dat de pensioenuitvoerder steeds wanneer het risico wijzigt, weigert de afspraak uit overeenkomst uit te voeren. Ex-partners  om allerlei redenen besluiten tot een andere verdeling van het pensioen, bijvoorbeeld uit solidariteit of vanwege  verrekening van andere vermo- gensbestandsdelen bij de scheiding. Bij misbruik gaat het om een onevenredige risicoverdeling, zonder dat daar iets tegenover staat. Op deze manier is een balans gevonden tussen uitvoerbaarheid (pensi- oenuitvoerders hoeven niet bij alle afwijkende afspraken waar meer pensioen  wordt toebedeeld aan de verdelingsgerechtigde partner  expliciet in te stemmen),  redelijkheid (het is niet mogelijk om, zoals nu het geval is, in het pensioenreglement op te nemen dat een afwijkende verdeelme- thode überhaupt niet wordt uitgevoerd) en het voorkomen van misbruik.
Er kunnen over het gebruik  van de weigeringsgrond nadere regels gesteld worden  in lagere regelgeving. Indien de pensioenuitvoerder (gemoti- veerd) weigert de afwijkende afspraken uit te voeren, geldt het recht op de wettelijke standaardverdeling (50/50 via conversie).
 
In de Pensioenwet is geregeld dat pensioenuitvoerders instemmingsrecht hebben als ex-partners afwijkende afspraken maken over het bijzonder partnerpension.32  Pensioenuitvoerders moeten bereid zijn een uit de afwijking voortvloeiend risico te dekken dan wel het niveau van de uitkering aan te passen. Anders dan bij conversie  van het ouderdomspen- sioen verschuift het risico bij bijzonder  partnerpensioen niet, de risico- dekking blijft zien op het leven van de (gewezen) deelnemer.  Hooguit wijzigt de hoogte van de bijzonder  partnerpensioenaanspraak vanwege  de nieuwe  verdeling (de helft van het tijdens  het huwelijk opgebouwde partnerpensioen in plaats van het tot de scheiding opgebouwde partner- pensioen).  Omdat pensioenuitvoerders bij de nieuwe  verdeling sowieso een berekening voor het bijzonder  partnerpensioen moeten maken, wordt voorgesteld het instemmingsrecht voor pensioenuitvoerders bij afwij- kende afspraken over het bijzonder  partnerpensioen in de Pensioenwet af te schaffen. Als uit een afwijkende afspraak tussen ex-partners blijkt  datde verdelingsgerechtigde partner  meer partnerpensioen toebedeeld krijgt dan in de standaardsituatie, dus meer dan de helft van het in de huwelijkse periode  opgebouwde partnerpensioen, en dit partnerpensioen wordt omgezet in ouderdomspensioen geldt er wel een weigeringsgrond voor de pensioenuitvoerder als misbruik aannemelijk is.
 
3. Verdeling ouderdomspensioen en partnerpensioen
Bij de evaluatie  van de Wvps is opgemerkt dat mensen het niet altijd eerlijk vinden  hoe bij scheiding het pensioen  wordt verdeeld.  Het ouderdomspensioen opgebouwd in de huwelijkse periode  wordt door twee gedeeld, en de waarde van het gehele partnerpensioen, inclusief  de voorhuwelijkse periode,  wordt afgesplitst ten behoeve van de verdelings- gerechtigde partner.  De verdelingsgerechtigde partner  krijgt hierdoor (veel) meer dan de helft van het totaal te verdelen pensioen.
 
Dit wetsvoorstel lost dit op door de periode  waarover  het recht op partnerpensioen wordt toegekend  allereerst  te beperken tot de huwelijkse periode,  in plaats van het gehele partnerpensioen tot het moment van scheiding. Zie hiervoor hoofdstuk 5. De verdeling van het pensioen  kan nog evenwichtiger door ook het partnerpensioen over de huwelijkse periode  door twee te delen. Op die manier wordt de waarde van het totaal opgebouwde pensioen  over de huwelijkse periode  over beide ex-partners verdeeld.  Omdat er geen recht op bijzonder  partnerpensioen ontstaat  na een conversie, is er geen reden om het gehele kapitaal voor partnerpen- sioen aan de verdelingsgerechtigde ex-partner toe te wijzen. De waarde van dit partnerpensioen wordt immers  voor de verdelingsgerechtigde
ex-partner omgezet in een ouderdomspensioen. Het partnerpensioen over de voorhuwelijkse periode  en de helft van het partnerpensioen opgebouwd tijdens  de huwelijkse periode  blijven beschikbaar voor een nieuwe  partner  van de verdelingsplichtige partner,  of het partnerpensioen kan worden  uitgeruild voor een hoger ouderdomspensioen voor de verdelingsplichtige partner33.
 
De regering  acht deze verdeling veel evenwichtiger dan de wijze waarop het kapitaal onder de Wvps werd verdeeld.  Scheidende partners  hebben de mogelijkheid om een afwijkende verdeling af te spreken. Daarnaast heeft de verdelingsgerechtigde partner  het eenzijdige keuzerecht om zijn of haar deel van het partnerpensioen buiten de conversie  te houden.  Dit kan aan de orde zijn als er belang wordt gehecht aan het ontstaan van een recht op een bijzonder  partnerpensioen, bijvoorbeeld in het geval er alimentatiebetaling plaatsvindt na de scheiding. Hierbij  wordt nog opgemerkt dat de verdelingsgerechtigde partner  ook nog recht kan hebben op bijzonder  partnerpensioen over de periode  dat hij/zij voldeed aan de partnerdefinitie in de betreffende pensioenregeling vóór het huwelijk.
 
4. Alimentatie
Of er na het overlijden van de alimentatieplichtige voor de achterblijvende ex-partner recht bestaat op bijzonder  partnerpensioen is afhankelijk  van
de financiering van het partnerpensioen. De lengte van de alimentatiepe- riode heeft geen invloed op wel of niet ontstaan van een recht op bijzonder partnerpensioen.34  Indien voorafgaand aan de scheiding het partnerpensioen werd gefinancierd op risicobasis, ontstaat  er op de scheidingsdatum geen recht op bijzonder  partnerpensioen. Dit kan alleen aan de orde zijn bij financiering van partnerpensioen op kapitaalbasis.
 
Na een scheiding kan een deel van het inkomen van de minstverdienende ex-partner uit partneralimentatie bestaan. In 2013 ontving ongeveer  16% van de gescheiden  vrouwen partneralimentatie. In 1% van de gevallen was er in 2013 sprake van partneralimentatie voor de man.35 De alimenta- tiebedragen kunnen flink uiteenlopen, afhankelijk  van de behoefte aan alimentatie en de draagkracht  van de alimentatieplichtige. De rechter bepaalt uiteindelijk de hoogte van de alimentatie. Ongeveer één op de
drie vrouwen die alimentatie ontving kreeg per maand in 2013 400 euro of minder, bijna één op de vijf vrouwen kreeg 1.600 euro of meer per maand. Gemiddeld ging het in 2013 om een bedrag van ongeveer  980 euro per maand.36
 
Als er op het moment van overlijden sprake is van een partneralimentatie- bijdrage, kan dit tot een tijdelijke inkomensterugval leiden. Door het overlijden vervalt  de alimentatiebijdrage en er komt geen bijzonder partnerpensioen tot uitkering. Ten behoeve van de evaluatie  heeft het AG, vanuit  een actuarieel  oogpunt, gekeken naar de specifieke situatie  van het wegvallen van alimentatie in combinatie met conversie.37 Als de verdelingsplichtige partner  kinder- en/of partneralimentatie betaalde, stopt deze betaling bij het overlijden. Er komt in geval van conversie  dan dus geen bijzonder  partnerpensioen tot uitkering. Wel kan er sprake zijn van andere inkomensbronnen die de verdelingsgerechtigde partner  mogelijk kan benutten om op dat moment in inkomen te voorzien.  Indien de verdelingsgerechtigde ex-partner aan de voorwaarden voldoet, kan er recht ontstaan op een nabestaandenuitkering Anw38. Een andere vervangende inkomstenbron kan wezenpensioen zijn. Veel, zo niet alle pensioenregelingen bevatten een wezenpensioenuitkering bij overlijden van een ouder. Wezenpensioen wordt bij een scheiding niet aangetast, het volledige pensioen  wordt uitgekeerd. Als derde kan het, afhankelijk  van de leeftijd van de achterblijvende ex-partner en de mogelijkheden in een pensioenregeling ook een optie zijn om het eigen geconverteerde ouderdomspensioen te vervroegen. Hoe ouder de verdelingsgerechtigde ex-partner is, hoe minder het ouderdomspensioen vervroegd hoeft te worden  en hoe hoger de jaarlijkse pensioenuitkering is. Jongere nabestaanden  ontvangen na vervroeging een veel lagere pensioenuit- kering, het pensioen  wordt immers  over een (veel) langere periode uitgekeerd. Hierbij  moet worden  aangetekend  dat ook een bijzonder partnerpensioen voor een jongere  nabestaande  na een scheiding (heel) beperkt zou zijn. Het bijzonder  partnerpensioen groeit na een scheiding niet verder aan. Het bijzonder  partnerpensioen voor een jongere nabestaande  is daarmee ook nu al een beperkte inkomensbron na overlijden van de ex-partner. Daarnaast bestaan er speciale alimentatie- verzekeringen,  die bij het overlijden van de verdelingsplichtige partner  de inkomstenbron uit alimentatie verzekert. Dergelijke verzekeringen  zijn
exact aan te passen aan de afgesproken  te betalen alimentatie.
 
Het AG concludeert dat een aanzienlijke  inkomensachteruitgang als gevolg van het wegvallen van alimentatie én het ontbreken van een bijzonder partnerpensioen zich naar verwachting maar in een zeer beperkt aantal situaties  zal voordoen. Het AG doelt hierbij niet op de inkomens- achteruitgang vanwege  het wegvallen van de alimentatie, die kan in sommige gevallen  fors zijn, maar op de mogelijkheid om het inkomensgat
te kunnen opvangen met bijzonder  partnerpensioen. In een zeer beperkt aantal situaties  is het bijzonder  partnerpensioen zodanig hoog dat het de inkomensachteruitgang kan opvangen.  Er wordt bij het bepalen van de hoogte van het bijzonder  partnerpensioen niet naar de pensioendatum gekeken, maar naar de scheidingsdatum.39 De vraag is of een bijzonder partnerpensioen een inkomensgat kan opvangen als gevolg  van het overlijden van de ex-partner tijdens  de alimentatieperiode. Bij jonge stellen lijkt dat niet tot nauwelijks mogelijk, omdat het bijzonder  partner- pensioen  (zeer) beperkt in omvang is. In die gevallen  is het ook niet problematisch dat het bijzonder  partnerpensioen bij de scheiding is geconverteerd tot een (hoger) ouderdomspensioen.
Hoe ouder de stellen zijn die gaan scheiden, hoe meer pensioenkapitaal er te verdelen zal zijn. Er zijn dan meer mogelijkheden om het geconver- teerde ouderdomspensioen te vervroegen, om zo een inkomensgat na het overlijden van de ex-partner (tijdens  de alimentatieperiode) te overbruggen.
 
Om voor deze specifieke situaties  een verdere oplossing te bieden is in het voorliggende wetsvoorstel een eenzijdig recht voor de verdelingsge- rechtigde  partner  opgenomen om alleen het ouderdomspensioen te converteren en de helft van het tijdens  het huwelijk opgebouwde partnerpensioen te laten afsplitsen tot bijzonder  partnerpensioen.
 
5. Pensioenverweer
Ten gevolge  van een echtscheiding kan een vooruitzicht op een partner- pensioen  na overlijden van de echtgenoot op wiens verzoek de echtscheiding is aangevraagd sterk verminderen of zelfs verloren  gaan. De andere echtgenoot kan in dat geval een pensioenverweer voeren. In een pensioenverweer kan verzocht worden  de echtscheiding pas uit te spreken, als er voor het «partnerpensioen-gat» een billijke voorzienig is getroffen. De echtgenoot aan wie in overwegende mate de scheiding te wijten  is, kan zo’n pensioenverweer niet voeren. Als de betreffende echtgenoot redelijkerwijs zelf voor voldoende voorzieningen kan zorgen, maakt een pensioenverweer geen kans.40
 
Bij conversie  wordt het partnerpensioen omgezet in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen. De verdelingsgerechtigde partner  ontvangt in de standaardsituatie bij het overlijden van de verdelingsplichtige partner  na conversie  geen bijzonder  partnerpensioen. Als gevolg  van de standaard conversie  gaat dus het vooruitzicht op een (bijzonder)  partnerpensioen verloren, daarvoor in de plaats krijgt de verdelingsgerechtigde partner  een eigen aanspraak op ouderdomspensioen. Wil men een aanspraak op bijzonder  partnerpensioen behouden,  waarmee  een bestaand vooruitzicht op bijzonder  partnerpensioen blijft bestaan na scheiding, kan de verde- lingsgerechtigde partner  gebruik  maken van het eenzijdig keuzerecht om zijn of haar deel van het partnerpensioen buiten de conversie  te houden. De hoogte van dit bijzonder  partnerpensioen is echter altijd  lager dan het vooruitzicht op een partnerpensioen zonder scheiding. Het feit dat conversie de standaardwijze van verdelen wordt,  doet hieraan niets af.
 
Ook wanneer bij scheiding conversie  de standaardwijze van verdelen is, bestaat er voor de andere echtgenoot de mogelijkheid om pensioen- verweer  in te roepen. De rechter zal in dat geval moeten beoordelen of de betreffende echtgenoot redelijkerwijs zelf voor voldoende voorzieningen kan zorgen, of dat de echtgenoot een andere partnerpensioenvoorziening moet treffen  voor zijn ex-echtgenoot.
 
6. Communicatie
In de Pensioenwet is vastgelegd dat bij scheiding de ex-partner die als gevolg  van de scheiding recht krijgt op een bijzonder  partnerpensioen geïnformeerd wordt over de hoogte van het bijzonder  partnerpensioen en overige  informatie die specifiek voor de ex-partner van belang is. Tevens ontvangt de ex-partner eens per vijf jaar informatie over het bijzonder partnerpensioen. Deze artikelen  wijzigen niet als gevolg  van dit wetsvoorstel.
 
De communicatieverplichtingen na een scheiding worden  voor pensioen- uitvoerders41 als volgt uitgebreid. Nadat de pensioenuitvoerder een melding van scheiding via de basisregistratie personen  (BRP) heeft ontvangen, is de pensioenuitvoerder verplicht om zowel de deelnemer  als de ex-partner te informeren over de gevolgen  van de scheiding voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen. Voor het geconverteerde ouderdomspensioen gelden dezelfde periodieke  communicatievoor- schriften als voor een gewezen deelnemer.  Het informeren moet voldoen aan de normen correct, duidelijk en evenwichtig, en de informatie moet tijdig  verstrekt of beschikbaar gesteld worden. Deze normen worden nader uitgewerkt in lagere regelgeving.
 
De informatievoorziening op Mijnpensioenoverzicht.nl wordt verbeterd. Met de Wet pensioencommunicatie42 is het doel van het pensioenregister op een aantal punten uitgebreid. De uitbreidingen zagen op functionali- teiten ten behoeve van verbetering van het overzicht  (hoeveel krijg ik per maand?), inzicht (is dat voldoende voor mij?) en handelingsperspectief (wat kan ik doen?). Bij het verbeteren van het inzicht gaat het onder andere over de gevolgen  van belangrijke gebeurtenissen in het leven (zogenaamde  life events) op het pensioeninkomen. Tot op heden is de nadere uitwerking van belangrijke gebeurtenissen in het leven beperkt gebleven  tot gevolgen  van enkele gebeurtenissen voor het nabestaanden- pensioen.  In de toelichting bij het Besluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband  met de Wet pensioencommunicatie43 is aangegeven dat het toenmalige kabinet verwachtte dat in de toekomst  de gevolgen  van meer belangrijke gebeurtenissen zichtbaar kunnen worden  gemaakt in het pensioenregister. Hier wordt nu een eerste stap mee gezet door voor ouderdomspensioen en partnerpensioen officieel voor te schrijven dat inzicht moet worden  geboden in de gevolgen  van de echtscheiding. Dit zal worden  geregeld in lagere regelgeving. Het betreft  geen rekentool  voor «wat-als-situaties», maar een weergave  van de feitelijke  situatie  na het verwerken  van de scheidingsafspraken door de pensioenuitvoerder.
 
Bij het pensioenregister is er technisch  al voorzien  in de mogelijkheid om de gevolgen  van een scheiding te tonen voor de verdelingsplichtige partner. Pensioenuitvoerders zijn niet verplicht bedragen  mee te sturen, er kan ook gekozen worden  voor een algemene  tekst over mogelijke effecten van een scheiding. Het is onduidelijk hoeveel pensioenuitvoerders voor de algemene  tekst kiezen en hoeveel uitvoerders de bedragen  doorgeven.
Het pensioenregister is geen grote database, maar haalt de relevante gegevens op het moment van inloggen op bij de betrokken pensioenuit- voerders.  In lagere regelgeving zal worden  geregeld dat alle pensioenuitvoerders inzicht moeten bieden in de gevolgen  van een echtscheiding op de hoogte van het ouderdomspensioen en het partnerpensioen door middel van bedragen, ongeacht  of er verevend  of geconverteerd is. De verdelingsplichtige partner  ziet daardoor dat het ouderdomspensioen lager is geworden na de scheiding, en de verdelingsgerechtigde partner ziet dat hij/zij later meer ouderdomspensioen zal ontvangen. Voor beide partners  is dit behulpzaam  bij hun financiële planning. Dit geldt ook voor mensen die onder de huidige Wvps zijn gescheiden. Daarom worden  deze nieuwe  communicatieverplichtingen ook op hen van toepassing. Dit betekent een flinke inhaalslag voor pensioenuitvoerders. Het is niet reëel te verwachten dat dit in een beperkte periode  zal zijn geregeld.  Daarom zal er een gefaseerde inwerkingtreding gaan gelden voor scheidingen van vóór 2021. Dit zal in lagere regelgeving nader worden  uitgewerkt.
1.3. Uniforme reken- en verdeelregels
Bij de inwerkingtreding van de Wvps achtte de toenmalige Staatssecre- taris van SZW het niet noodzakelijk  om voor de verdeling van pensioenen (bij scheidingen na 1 mei 1995) wettelijke reken- en verdeelregels (hierna rekenregels) voor te schrijven. De Staatssecretaris van SZW stelde zich op het standpunt dat rekenregels  alleen noodzakelijk  zouden zijn in die situatie, waarin  bepaalde gegevens ontbreken.  Na inwerkingtreding van de wet zouden die gegevens niet meer kunnen ontbreken,  omdat pensioenuitvoerders gehouden zijn om alle gegevens die nodig  zijn voor pensioenverevening te bewaren.44 Dit blijkt  in de praktijk  niet altijd  het geval te zijn. Daarom wordt dit nu alsnog geregeld. Pensioenuitvoerders hebben in de evaluatie  aangegeven dat de Wvps voldoende handvatten biedt bij de verdeling van pensioen  dat in een uitkeringsovereenkomst is opgebouwd. De Wvps biedt bij premierege- lingen  echter onvoldoende handvatten. Daarnaast kent de Wvps geen rekenregels  voor de conversie  van pensioenaanspraken.
Aan het Actuarieel Genootschap (AG) is gevraagd  welke rekenregels (actuarieel  gezien) van toepassing zouden moeten zijn bij conversie  en bij premieregelingen. In de evaluatie  heeft het AG hierover  gerapporteerd.45
De rekenregels  zullen in lagere regelgeving worden  vastgelegd. Hierna wordt al wel enig inzicht geboden in de voorgenomen regels.
 
Rekenregels conversie
 
Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt conversie  de standaard verdeelmethode. De huidige Wvps heeft geen rekenregels  vastgelegd voor de conversie  van pensioenaanspraken. De regering  acht het wenselijk  dat er ten behoeve van een uniforme uitvoering van conversie één rekenmethodiek wordt voorgeschreven. Deze rekenmethodiek wordt in lagere regelgeving vastgelegd. Conform het rapport van het AG wordt voorgeschreven dat er bij een conversie  moet worden  uitgegaan van de waarde van de tijdens  het huwelijk opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen en partnerpensioen (dit is de zogenoemde waarde- bepaling). De totale waarde van de pensioenaanspraken (zowel ouderdomspensioen als partnerpensioen) wordt vervolgens gehalveerd. Een helft wordt toebedeeld aan de verdelingsgerechtigde partner.
Hiermee wordt een eigen aanspraak op ouderdomspensioen ingekocht op zijn of haar leven. Door de waardebepaling voor te schrijven wordt in geval van een uitkeringsovereenkomst de verdeling van de tijdens  de
huwelijkse periode  opgebouwde pensioenaanspraken losgelaten  (de zogenoemde aansprakenbepaling).
 
Rekenregels premieregelingen
 
Ten behoeve van de evaluatie  van de Wvps heeft het AG gekeken welke uniforme rekenregels, actuarieel  gezien het best passen bij verdeling van het ouderdomspensioen in premieregelingen. Het AG heeft de volgende methode als actuarieel  meest juiste methode aangemerkt:  een berekening van het actuele spaarsaldo  verminderd met de participaties bij aanvang van het huwelijk tegen de actuele koers. In de praktijk  blijkt  dat niet alle pensioenuitvoerders van premieregelingen met participaties werken. Het
is van belang dat in de voorgeschreven methode een balans zit tussen aan de ene kant een zo eerlijk mogelijke verdeelmethode voor beide
ex-partners (bijvoorbeeld in situaties  van deeltijdwerk, en rekening houdend met de overstap op degressieve pensioenopbouw zoals afgesproken  in het recent afgesloten  pensioenakkoord) en aan de andere kant een uitvoerbare methode voor pensioenuitvoerders. Mogelijk moet daarnaast een alternatief geboden worden  voor de berekening van het te verdelen pensioenkapitaal als er gegevens ontbreken in de administratie van de pensioenuitvoerder.
 
2. Automatische verdeling – «nee,  tenzij» wordt «ja,  tenzij»
In de Wvps komt een moeilijke situatie, scheiding, samen met een ingewikkeld onderwerp, pensioen.  Uit de evaluatie  is gebleken dat in de wet het recht op pensioenverdeling goed is vastgelegd, maar de werking van de wet in de praktijk  beter kan. Door de opzet van de wet hebben mensen als zij niet of te laat in actie komen onvoldoende baat bij de wet. In de huidige systematiek moet de verdelingsgerechtigde partner  het recht op uitbetaling van het verdeelde  pensioen  actief regelen bij de betrokken pensioenuitvoerder(s). Het pensioendeel waar recht op bestaat wordt niet automatisch uitbetaald. Voor optimalisering van dit proces kan mede naar de gedragseconomie gekeken worden.
 
Doenvermogen
 
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft in 2017 het rapport Weten is nog geen doen: Een realistisch perspectief op redzaamheid46 gepubliceerd. De WRR constateert dat de overheid in toenemende mate een beroep doet op de redzaamheid van mensen, terwijl de menselijke  vermogens daartoe begrensd  zijn. Kennis en intelligentie alleen zijn niet genoeg voor redzaamheid. Ook mensen met een goede opleiding en een goed inkomen kunnen in moeilijkheden komen omdat ze even niet opletten of zaken voor zich uitschuiven. Dat geldt zeker op het moment dat het leven tegenzit, zoals bij een scheiding. Door een realistischer ontwerp van beleid kan de overheid de redzaamheid van burgers versterken.  Het kabinet is het daarmee eens, en heeft dan ook positief gereageerd  op het betreffende rapport van de WRR en de aanbevelingen over de toepassing van inzichten uit de gedragswe- tenschappen in beleid.47
 
In het rapport beveelt de WRR aan om bij voorgenomen beleid en regelgeving vooraf te toetsen of de regeling «doenlijk» is voor burgers.  In uitvoeringstoetsen moet niet alleen het perspectief van uitvoeringsorgani- saties worden  betrokken,  maar ook het perspectief van de burgers.  Zij moeten de wet niet alleen kennen maar ook «kunnen». De kernvraag in
deze toets luidt: gaat de regeling uit van realistische assumpties over de mentale  belastbaarheid van burgers? «De overheid kan inspelen  op de beperkte niet-cognitieve vermogens van burgers door de keuzearchi- tectuur aan te passen. Dat kan met behulp van simpele labels, aanvinken van standaard-opties (defaults),  opt-out stelsels, «ongewenste» keuzes beperkt mogelijk maken, of geschaalde vrijheden.» In de volgende paragrafen is invulling gegeven aan deze aanbevelingen.
 
Automatische verdeling
 
Op het moment dat een echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ontvangen pensioenuitvoerders hiervan  een bericht.  Zij hebben een aansluiting op de BRP. Na deze melding komen pensioenuitvoerders nu in actie om uitvoering te geven aan de wettelijke verplichting om de ex-partner te informeren over het afgescheiden partnerpensioen (bijzonder partnerpensioen).48  Er zijn pensioenuitvoerders die op dit moment de ex-partner ook informeren
over het wettelijk recht op het verdelen van het ouderdomspensioen en welke handelingen hiervoor nodig  zijn. Maar dit gebeurt echter lang niet altijd.  Dit wetsvoorstel regelt dat een pensioenuitvoerder op het moment waarop  er een melding van scheiding bij hem binnenkomt, de (gewezen) deelnemer  en de ex-partner informeert over de automatische verdeling van het ouderdomspensioen (via conversie),  de actie die nodig  is bij afzien van verdeling of afwijkende afspraken (andere periode  dan de
huwelijkse periode,  een andere verdeling dan 50–50, of alleen ouderdoms- pensioen  converteren), de gevolgen  voor het partnerpensioen en de reactieperiode.
 
Net als onder de huidige wetgeving geldt dat (afwijkende) afspraken over pensioenverdeling bij scheiding (in een convenant) of bij huwelijkse voorwaarden worden  overeengekomen. Ten behoeve van de uitvoering van de gemaakte afspraken, is het wenselijk  dat passages over pensioen- verdeling in huwelijkse voorwaarden en echtscheidingsconvenanten zo duidelijk mogelijk worden  geformuleerd zodat deze uitvoerbaar zijn. De pensioensector en de scheidingsprofessionals kunnen in onderling overleg dergelijke uniforme voorbeeldteksten opstellen en verspreiden onder hun leden.
 
Het is mogelijk om een «kale» scheiding in te schrijven, dat wil zeggen een scheiding zonder afspraken in een convenant  of huwelijkse voorwaarden. Het ligt in de lijn der verwachting dat de betrokken advocaat de ex-partners informeert over de verdeling van pensioen,  die ook uitgevoerd wordt bij een «kale» scheiding. In dat geval geldt dus ook dat de pensioenuitvoerder na de reactieperiode tot conversie  overgaat.
Als hierna alsnog afspraken worden  gemaakt over pensioenverdeling, dan moeten ex-partners de uitbetaling onderling regelen. Conversie is in principe onomkeerbaar.
 
De reactieperiode
 
In het wetsvoorstel is gekozen voor een reactietermijn van zes maanden. Deze termijn wordt voldoende geacht om de pensioenuitvoerder(s) te informeren over eventuele  afwijkende afspraken over de verdeling van pensioen.  Deze termijn is uitdrukkelijk niet bedoeld  om pas dan over mogelijke afspraken te gaan nadenken. Deze moeten tijdens  de scheiding worden  gemaakt. Het betreft  dus een administratieve periode.
De reactieperiode gaat in als de scheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bij de gemeente.  Ten aanzien van de duur van de reactieperiode is een afweging gemaakt tussen het belang van de ex-partners om hun afwijkende afspraken tijdig  aan de betreffende pensioenuitvoerder(s) door te kunnen geven en het belang van een relatief korte reactieperiode aangezien er zich gedurende de reactiepe- riode bepaalde (life) events kunnen voordoen die relevant  (kunnen) zijn voor de conversie. Voor situaties  waarin  de vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheidingsdatum plaatsvindt regelt dit wetsvoorstel dat de reactieperiode met maximaal zes maanden  verlengd kan worden. De ex-partners dienen de verlenging binnen de reactietermijn van zes maanden  aan te vragen bij de pensioenuitvoerder.
 
Alleen de keuze voor afzien van pensioenverdeling en afwijkende afspraken over pensioenverdeling hoeven te worden  doorgegeven, in alle andere gevallen  wordt er volgens de standaard 50–50 geconverteerd. Pensioenuitvoerders kunnen vanzelfsprekend vóór het verstrijken van de reactieperiode rappelleren als informatie uitblijft, alvorens  zij overgaan  tot het converteren van het pensioen.  Na afloop van de reactieperiode gaat
de pensioenuitvoerder over tot conversie, of handelt  (zoveel eerder) naar de ingestuurde afwijkende afspraken (afzien van verdeling, andere periode,  en/of andere verdeling dan 50–50, of alleen ouderdomspensioen converteren). De pensioenuitvoerder informeert hierna de (gewezen) deelnemer  en de ex-partner.
 
Onder de huidige wet geldt een reactietermijn van twee jaar waarbinnen het mededelingsformulier van een scheiding moet zijn opgestuurd aan de pensioenuitvoerder om een uitbetalingsrecht jegens die pensioenuit- voerder te krijgen.  Bij een verevening vindt de verdeling pas op pensioen- datum plaats, het is immers  een voorwaardelijk recht op ouderdomspen- sioen. Een wat langere termijn om het formulier op te sturen is dan begrijpelijk. Van belang is wel dat de pensioenstand op de datum van de scheiding bekend is bij de pensioenuitvoerder. Hoe meer tijd verstreken  is, hoe lastiger  dit in de administratie terug te zoeken is, zeker als er sprake is van een beschikbare premieregeling. In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de reactietermijn zes maanden  is, ingaand  op het moment van inschrijving van de scheiding in de registers van de burgerlijke stand bij
de gemeente.
 
Bij conversie  wordt het pensioen  direct na afloop van de reactieperiode verdeeld,  met terugwerkende kracht tot de datum van inschrijving van de scheiding. Omdat hierna beide ex-partners een eigen pensioenaanspraak hebben, is het van belang dat dit sneller gebeurt dan pas na uiterlijk twee jaar. Vanaf de scheidingdatum moet rekening worden  gehouden met de mogelijk verschillende regimes  voor de beide aanspraken: de deelnemer kan een actieve deelnemer  zijn en ontvangt dan jaarlijks  een UPO en krijgt indexatie volgens de regels voor actieven; het geconverteerde ouderdomspensioen voor de ex-partner wordt een «slapersaanspraak» en wordt conform de wettelijke voorschriften voor slapers behandeld, zoals recht voor de pensioenuitvoerder op waardeoverdracht klein pensioen, individueel recht op waardeoverdracht. Indien de deelnemer  ook een slaper is, geldt dezelfde behandeling.
 
Events gedurende de reactieperiode
 
De rechtsgevolgen van de scheiding gelden vanaf het moment van inschrijving van de scheiding in de registers van de burgerlijke stand bij de gemeente.  In de reactieperiode die daarop volgt,  moet gehandeld worden  naar de afspraken die in het kader van de scheiding over de verdeling van pensioen  zijn gemaakt, ook als ze nog niet aan de pensioen-
uitvoerder zijn doorgegeven. Immers  de afspraken die bij de scheiding gemaakt zijn in het kader van pensioen,  zijn leidend.
 
Overlijden van een van beide ex-partners gedurende de reactieperiode
 
De pensioenuitvoerder moet bij het overlijden tijdens  de reactieperiode handelen  op basis van de officiële stukken die in het kader van de scheiding zijn opgesteld.  Als de pensioenuitvoerder op het moment van overlijden nog geen afwijkende afspraken heeft ontvangen van beide ex-partners,  neemt de pensioenuitvoerder proactief contact op met de langstlevende ex-partner om de eventuele  afwijkende afspraken alsnog te ontvangen.
 
Als er in het kader van de scheiding afwijkende afspraken zijn gemaakt over de verdeling van het pensioen,  moet de pensioenuitvoerder uitvoering geven aan deze afwijkende afspraken. Als er geen afwijkende afspraken gemaakt zijn, moet de pensioenuitvoerder na afloop van de reactieperiode overgaan  tot conversie  van de tijdens  het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraak.
 
Indien er sprake is van een partnerpensioen op risicobasis, dan vervalt  op het moment van inschrijving van de scheiding de dekking van het partnerpensioen ten behoeve van de ex-partner. Tijdens de reactieperiode is er in dat geval ook geen dekking van partnerpensioen ten behoeve van de ex-partner. Partnerpensioen op kapitaalbasis wordt (over de huwelijkse periode)  meegenomen in de conversie, vanaf de scheidingsdatum
ontstaat  hiermee  geen recht op bijzonder  partnerpensioen voor de verdelingsgerechtigde partner  tenzij deze van het keuzerecht gebruik maakt om het partnerpensioen buiten de conversie  te houden.
 
° Hertrouwen met ex-partner gedurende de reactieperiode
 
Bij het hertrouwen met dezelfde partner  blijven er na een conversie  twee uitkeringsstromen bestaan. Beide partners  behouden een eigen aanspraak op ouderdomspensioen, dan wel ouderdomspensioenuitkering, die voortkomt uit de eerdere scheiding. Er is vooralsnog geen reden om de situatie  van hertrouwen met dezelfde partner  anders te behandelen dan hertrouwen met een willekeurige andere partner,  de Tweede Kamer is hierover  eerder geïnformeerd.49
 
° Individueel verzoek tot waardeoverdracht
 
Tijdens de reactieperiode wordt een verzoek tot individuele waardeover- dracht van de verdelingsplichtige partner  tijdelijk opgeschort. Hierdoor is duidelijk welke pensioenuitvoerder verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verdeling van het pensioen  na afloop van de reactieperiode. Na de verdeling van de pensioenaanspraken kan de pensioenuitvoerder gevolg geven aan het individueel verzoek tot waardeoverdracht van de verde- lingsplichtige partner.  De tijdelijke opschorting wordt in lagere regel- geving  vastgelegd.
 
° Ontvangst  van achterstallige informatie van werkgevers
 
Pensioenuitvoerders ontvangen met enige regelmaat achterstallige informatie vanuit  de werkgever  over bijvoorbeeld het deeltijdpercentage of salarisgegevens van deelnemers.  De pensioenuitvoerder zal na afloop van de reactieperiode de verdeling van het pensioen  uitvoeren aan de hand van de op dat moment bij de pensioenuitvoerder bekende gegevens.
 
De pensioenuitvoerder informeert de deelnemer  en de ex-partner over de verdeling van het pensioen  en over de gegevens waarop  de verdeling is gebaseerd. De situatie  kan zich voordoen dat de pensioenuitvoerder na afloop van de reactieperiode aanvullende informatie ontvangt van de werkgever  over de betreffende deelnemer.  Dit zal via nacalculatie worden verrekend,  zowel de deelnemer  als de ex-partner hebben geen invloed op deze informatieverstrekking via de werkgever.
 
Geen reactie, wel afwijkende afspraken
 
De situatie  kan zich voordoen dat ex-partners zich pas na afloop van de reactietermijn realiseren  dat ze afwijkende afspraken hadden gemaakt over de verdeling van pensioen,  maar verzuimd  hebben om deze afwijkende afspraken aan de betreffende pensioenuitvoerder(s) door te geven.
 
Een eenmaal uitgevoerde conversie  van pensioenaanspraken kan niet meer worden  teruggedraaid door de pensioenuitvoerder. Het ouderdoms- pensioen  en het opgebouwde partnerpensioen zijn na samenvoeging in twee aanspraken gesplitst, gebaseerd op de verschillende levensver- wachting van beide ex-partners.  De levensverwachting verschilt  tussen beide partners  als de leeftijden op het moment van scheiden verschillen en als er sprake is van verschillend geslacht (vrouwen leven gemiddeld langer dan mannen).  Als na uitvoering van de conversie  blijkt  dat er toch afwijkende afspraken zijn gemaakt, zijn ex-partners zelf verantwoordelijk voor de juiste uitvoering daarvan. Pensioenuitvoerders kunnen dan niet meer worden  aangesproken  voor de uitvoering van de door ex-partners gemaakte afwijkende afspraken. Het staat pensioenuitvoerders uiteraard vrij om hier alsnog aan mee te werken. Dit geldt ook voor het maken van berekeningen. Pensioenuitvoerders kunnen besluiten hier dan kosten voor in rekening brengen. Deze situatie  is vergelijkbaar met de huidige situatie waarin  ex-partners verzuimen  om het mededelingsformulier tijdig  naar de pensioenuitvoerder toe te sturen. De pensioenuitvoerder is in dat geval ook niet meer verplicht om mee te werken aan de uitbetaling van het verevende  pensioen.
 
Afspraken uit het verleden
 
Bij het aangaan van of tijdens  een huwelijk of geregistreerd partnerschap voorafgaand aan inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel kunnen partners  reeds afspraken zijn overeenkomen ten aanzien van (het uitsluiten van) verdeling van pensioen  als het huwelijk of het geregis- treerd partnerschap wordt beëindigd. De wijzigingen in dit wetsvoorstel hebben in principe geen gevolgen  voor die eerder gemaakte afspraken
over de verdeling van pensioen,  tenzij is overeengekomen «de standaard» uit de Wvps te volgen.  In dat geval heeft het veranderen van de standaard verdeelmethode wel gevolgen  omdat standaardverevening na de inwerkingtreding van de Wps niet meer mogelijk is. Ten tijde van de scheiding doen partners  er vanzelfsprekend verstandig aan om na te gaan of dat wat eerder is afgesproken  nog steeds wenselijk, mogelijk en voldoende duidelijk is, of dat eerdere afspraken aanpassing  behoeven.
 
Scheiden na pensioeningang
 
Er is een licht stijgende trend waarneembaar bij het aantal scheidingen van gepensioneerden. In dit wetsvoorstel wijkt  de verdeling van het pensioen  dat is opgebouwd tijdens  de huwelijkse periode  bij een scheiding na pensioeningang niet af van de situatie  van een scheiding vóór pensioeningang. Dit als gevolg  van het gehanteerde uitgangspunt dat de wetgeving geen (financiële) prikkels introduceert om bepaalde keuzes te maken, bijvoorbeeld om op een bepaald moment te scheiden.
 
De overwegingen om pensioen  automatisch te converteren, zijn ook na pensioeningang aan de orde, zij het iets beperkter  dan vóór pensioen- ingang.  Bij een scheiding na pensioeningangsdatum zal het pensioenin- komen zeker aan de orde komen bij afspraken over de verdeling van het vermogen e.d. Het is dan immers  een maandelijkse inkomstenbron waarvan  het niet aannemelijk is dat deze over het hoofd zal worden gezien.
 
Toch kiest de regering  ervoor  om bij scheiding na pensioeningang het pensioen  ook automatisch te laten converteren. Bij een scheiding na pensioeningang is het immers  niet ondenkbaar  dat bij leeftijdsverschil de jongste  partner  nog niet gepensioneerd is. Het zou dan onoverzichtelijk en bovendien niet logisch  zijn om het pensioen  van de nog niet gepensio- neerde partner  wel onder de automatische conversie  te laten vallen en het pensioen  van de reeds gepensioneerde partner  niet. De jongere  partner moet bovendien nog kunnen beslissen wanneer hij/zij het geconverteerde ouderdomspensioen wil laten ingaan. Bij een scheiding na pensionering is het handelingsperspectief van de jongere  ex-partner een relevant argument om het pensioen  ook bij een scheiding na pensioeningang te verdelen volgens de standaard verdeelmethode (automatisch via conversie, tenzij). De nog niet gepensioneerde verdelingsgerechtigde partner  kan de waarde van het geconverteerde ouderdomspensioen overdragen naar de eigen pensioenregeling, mits hier nog actief wordt opgebouwd. Indien de pensioensituatie complex is, bijvoorbeeld als de gepensioneerde partner  op pensioeningang met het pensioenkapitaal geshopt  heeft bij een andere pensioenuitvoerder, dan kan de pensioenuit- voerder natuurlijk om advies worden  gevraagd  over de mogelijkheden.
 
Bij een scheiding na pensioeningang wordt een extra uitruilmogelijkheid voorgesteld. In een dergelijke situatie  heeft de verdelingsgerechtigde partner  recht op de helft van het partnerpensioen dat is opgebouwd tijdens  de huwelijkse periode.  De gepensioneerde verdelingsplichtige houdt de andere helft plus de voorhuwelijkse opbouw. Hij/zij heeft zelf
niks meer aan dit partnerpensioen. Het kan niet meer worden  uitgeruild in hoger eigen ouderdomspensioen (dat kon tot uiterlijk de pensioenin- gangsdatum) en het kan ook niet meer fungeren als partnerpensioen voor een nieuwe  partner.  Na pensioeningang kan er namelijk  geen nieuwe partner  in de zin van de pensioenregeling meer ontstaan.  Het partnerpen- sioen zal dan bij het overlijden vervallen aan het collectief (bij pensioen- fondsen) of aan de uitvoerder (bij verzekeraars). Pensioenuitvoerders hebben aangegeven deze «scheidingswinst» niet te willen ontvangen. Daarom wordt voorgesteld dat pensioenuitvoerders bij een conversie  na pensioeningang het resterende  partnerpensioen automatisch uitruilen voor hoger ouderdomspensioen voor de verdelingsplichtige partner.  Op deze manier wordt het hele partnerpensioen verdeeld en vindt er geen «scheidingswinst» voor pensioenuitvoerders plaats.
 
Het kan zijn dat bij pensioeningang het partnerpensioen al is uitgeruild tegen hoger ouderdomspensioen. In die gevallen  geldt deze extra uitruilmogelijkheid logischerwijs niet. In het voorstel wordt deze uitruil- mogelijkheid ook geïntroduceerd voor ongehuwd samenwonenden. Pensioenuitvoerders ontvangen geen automatische melding van einde samenwonen, ongehuwd samenwonenden moeten daarom zelf een aanvraag voor de afsplitsing van het bijzonder  partnerpensioen doen (recht voor de verdelingsgerechtigde partner)  als voor de uitruil (recht voor de verdelingsplichtige partner).  De uitruil moet binnen een jaar na beëindiging van de partnerrelatie in de zin van de pensioenregeling plaatsvinden.
 
Scheidingen die niet automatisch via de basisregistratie personen  komen
 
Een pensioenuitvoerder krijgt een melding zodra de scheiding in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente is ingeschreven. De pensioenuitvoerder krijgt een melding zodra de scheiding die in de registers van de burgerlijke stand moet worden  ingeschreven ook in de BRP is verwerkt.  Niet alle scheidingen worden  echter ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor de melding niet bij de pensioenuitvoerder terecht komt. Dit geldt bijvoorbeeld voor een scheiding van tafel en bed.50 Er wordt geregeld dat de reactietermijn voor het melden  van scheiding van tafel en bed zes maanden  na de scheidings- datum is. Na de melding bij de pensioenuitvoerder, zal de pensioenuit- voerder overgaan  tot conversie  van het tijdens  de huwelijkse periode opgebouwde ouderdomspensioen. Bij deze melding kunnen afwijkende afspraken over pensioenverdeling worden  doorgegeven.
 
Niet alle scheidingen die in het buitenland plaatsvinden worden  in Nederland  in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. Dit is niet verplicht. Voor ingezetenen geldt echter wel de verplichting om de buitenlandse scheiding te laten registeren in de BRP. Een buitenlands scheiding moet binnen zes maanden  nadat de scheiding in het buitenland tot stand is gekomen  worden  ingeschreven in de BRP. Als de scheidende partners  de buitenlandse scheiding binnen de daarvoor gestelde termijn van zes maanden  inschrijven, wordt zowel het tijdens  de huwelijkse periode  opgebouwde ouderdomspensioen als het partnerpensioen geconverteerd. Als de melding van de scheiding niet of te laat wordt gedaan bij de burgerlijke stand geldt dat er recht bestaat op 50/50 verevening met een recht op uitbetaling jegens de ex-partner.
 
Niet in alle situaties  kunnen gegevens uit de BRP aan pensioenuitvoerders worden  verstrekt.51 Veruit de meeste pensioenuitvoerders komen vanwege  het gewichtig maatschappelijke belang in aanmerking voor systematische verstrekking vanuit  de BRP. Er zijn enkele uitzonderingsge- vallen: DGA’s met pensioen  in eigen beheer (DGA komt niet in aanmerking voor gegevensverstrekking uit de BRP), DGA’s die hun pensioenvoor- ziening hebben ondergebracht bij een verzekeraar (verzekeraars komen voor dergelijke pensioenen niet in aanmerking voor gegevensverstrekking uit de BRP) en werknemers wier (Nederlandse)  pensioenregeling in het buitenland wordt uitgevoerd (buitenlandse uitvoerders komen niet automatisch in aanmerking voor systematische gegevensverstrekking uit de BRP, hiertoe dienen ze eerst een autorisatie aanvraag in te dienen bij de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). In die gevallen  waarbij een pensioenuitvoerder niet in aanmerking komt voor systematische gegevensverstrekking uit de BRP is geregeld dat pensioen- uitvoerders binnen zes maanden  overgaan  tot conversie  nadat zij op de hoogte zijn gesteld van de scheiding.
 
Daar waar geen uitbetalingsrecht jegens een pensioenuitvoerder kan worden  verkregen,  dit is bijvoorbeeld niet altijd  het geval als er sprake is van een buitenlandse pensioenuitvoerder, geldt in ieder geval een recht op uitbetaling jegens de ex-partner.
 
Kosten
 
In de Wvps is geregeld dat pensioenuitvoerders bevoegd zijn om kosten van een verevening voor de helft aan beide ex-partners in rekening te brengen, dan wel in mindering te brengen  op de aan hen uit te betalen bedragen.52 In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat pensioenuitvoerders ook voor conversie  kosten in rekening kunnen brengen, dan wel in mindering kunnen brengen  op de uit te betalen bedragen. In lagere regelgeving zullen de kosten worden  gemaximeerd.
 
Gegevensbescherming
 
Gezien de aard van dit voorstel is een gegevensbeschermingseffectbeoor- deling  uitgevoerd. Met behulp hiervan  is de noodzaak onderzocht van de voorgenomen verwerking van persoonsgegevens en zijn op gestructu- reerde wijze de gevolgen  en risico’s  van de maatregel(en)/het systeem voor gegevensbescherming in kaart gebracht.  Hierbij  is in het bijzonder aandacht besteed aan de beginselen van transparantie, gegevensminima- lisering, doelbinding, het vereiste van een goede beveiliging en de
rechten van de betrokkenen. De gegevensbeschermingseffectbeoordeling wordt in de wetgevingskalender gepubliceerd.
 
In dit wetsvoorstel is een betere benutting van het wettelijk recht op pensioenverdeling het uitgangpunt. Een betere benutting wordt enerzijds bereikt door betere voorlichting door scheidingsprofessionals en anderzijds door aanpassing  van het automatisme bij pensioenuitvoerders: nee, tenzij een mededelingsformulier wordt toegestuurd, wordt ja, tenzij afwijkende afspraken worden  toegestuurd. Pensioenuitvoerders zijn op dit moment al aangesloten  op de BRP en ontvangen daardoor een melding van scheiding. De handelingen die een pensioenuitvoerder nu uitvoert, worden  uitgebreid. De pensioenuitvoerder beschikt nu ook al over bijna alle persoonsgegevens die nodig  zijn om het pensioen  te verdelen.  Een pensioenuitvoerder weet alleen niet of, en zo ja welke afwijkende afspraken er zijn gemaakt over pensioenverdeling bij de scheiding. Ook op dit moment moet deze informatie al worden  opgestuurd om de pensioen- uitbetaling door de pensioenuitvoerder te regelen. De pensioenuitvoerder beschikt na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet over meer persoonsgegevens dan nu.53 Wel wordt het eenvoudiger voor ex-partners om het pensioen  te (laten) verdelen.  De pensioenuitvoerder informeert de ex-partners bij elke stap. De gegevensverwerking past bij het doel waar de gegevens voor zijn verzameld,  namelijk  pensioenuitvoering. De rechten van de betrokkenen  bij de privacyregelgeving worden  niet beperkt.
 
 
3. Bijzonder partnerpensioen alleen over  de huwelijkse periode
De periode  waarover  het bijzonder  partnerpensioen op basis van de Pensioenwet wordt berekend en de periode  waarover  de verdeling van het ouderdomspensioen bij scheiding op grond  van de Wvps wordt berekend zijn niet aan elkaar gelijk. Het bijzonder  partnerpensioen wordt over de voorhuwelijkse én huwelijkse periode  opgebouwd, het te verdelen ouderdomspensioen wordt alleen over de huwelijkse periode  opgebouwd. Per 1 januari 2018 is het wettelijk stelsel inzake de gemeenschap  van goederen  veranderd. Alleen het vermogen dat door echtgenoten gedurende het huwelijk is opgebouwd (en vermogen dat al voor aanvang van het huwelijk aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoort) valt standaard in de wettelijke gemeenschap.  Het privévermogen van de echtgenoten vóór het huwelijk valt niet langer in de gemeenschap.  Deze wijziging is niet relevant  voor het ouderdomspensioen dat onder de Wvps valt, maar geeft voor de regering  wel aanleiding om de periode  waarover het bijzonder  partnerpensioen wordt berekend, te herzien.
 
Bijzonder  partnerpensioen voor ongehuwd samenwonenden
 
Er geldt een plicht  tot gelijke behandeling van ongehuwde en niet-geregistreerde partners  ten opzichte van gehuwden en geregistreerde partners  met betrekking  tot het bijzonder  partnerpen- sioen. In artikel 5, zesde lid, van de Algemene wet gelijke behan- deling  is dit vastgelegd. Sociale partners  hoeven geen partnerpen- sioen aan te bieden aan samenwonenden. De Tweede Kamer heeft deze lijn ondersteund bij de behandeling van het wetsvoorstel Recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpen- sioen en gelijke behandeling van mannen  en vrouwen (Stb. 2000,
625.).
 
Bij de behandeling van de Pensioen- en spaarfondswet (PSW) in de Tweede Kamer is een motie  van de leden Schimmel (D66) en Van Zijl (PvdA) aangenomen die de regering  verzoekt waar mogelijk ongehuwd samenwonende partners  gelijk te behandelen met gehuwden of geregistreerde partners  (Kamerstukken II 1999/2000, 26 711, nr. 25). Bij de behandeling van het wetsvoorstel voor de Pensioenwet in de Tweede Kamer is invulling gegeven aan deze motie. Indien werkgevers en werknemers in een pensioenovereen- komst overeenkomen dat ook niet-geregistreerde samenwonenden in aanmerking kunnen komen voor een partnerpensioen, gelden voor hen dezelfde rechten en plichten als voor gehuwden en geregistreerde partners. In de PSW bestond  dit recht alleen voor gehuwden en geregistreerde partners. Tot en met 31 december 2007 had de meeverzekerde partner  bij beëindiging van de samenwoning wettelijk geen recht op bijzonder  partnerpensioen. Met ingang van 1 januari 2008 is de definitie van scheiding in de Pensioenwet gewijzigd. Sinds de verruiming van de definitie van scheiding is artikel 57 van de Pensioenwet ook van toepassing op ongehuwd samenwonenden. Dit betekent dat samenwonende partners, indien zij voldoen aan de partnerdefinitie in de pensioenregeling, bij beëindiging van de samenleving aanspraak kunnen maken op een deel van het opgebouwde bijzonder  partnerpensioen.
 
Dit wetsvoorstel regelt dat het bijzonder  partnerpensioen wordt beperkt tot de huwelijkse periode.54 Het partnerpensioen over de voorhuwelijkse periode  blijft beschikbaar voor een nieuwe  partner  van de verdelings- plichtige partner,  of kan gebruikt worden  om op de pensioeningangs- datum uit te ruilen  voor een hoger ouderdomspensioen voor de verde- lingsplichtige partner.  Voor de verdelingsgerechtigde partner  betekent een verkorting van de periode  dat het bijzonder  partnerpensioen lager wordt in vergelijking tot de huidige situatie. Indien beide ex-partners partnerpen- sioen hebben opgebouwd, gelden de voor- en nadelen over en weer. Ex-partners  kunnen bij de scheiding een andere verdeling van het partnerpensioen overeenkomen of een andere periode  laten meetellen. Bijvoorbeeld de periode  waarin  men als ongehuwd samenwonenden al partners  was, maar nog niet gehuwd.
 
Pensioenuitvoerders ontvangen geen bericht via de BRP bij het beëin- digen van een (ongehuwde) samenwoonrelatie. Zij splitsen in die situaties het partnerpensioen dus niet vanzelf af. Dit gebeurt alleen als een ongehuwd samenwonende bij de pensioenuitvoerder aan de bel trekt. De pensioenuitvoerder kan bij de aanvraag tot afsplitsing van het BPP nagaan op welk moment de samenwoonrelatie is gestart. Op dit moment is dat niet relevant, omdat het gehele partnerpensioen wordt afgesplitst. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt alleen de helft van het partnerpensioen dat tijdens  de samenwoonperiode is opgebouwd, afgesplitst. Sociale partners  kunnen in de pensioenregeling opnemen  dat bij onenigheid tussen de ex-partners over de termijn van samenwonen de gegevens in de BRP leidend  is.
 
4. Verdelingsgrens en uitruilmogelijkheden
 
Verdelingsgrens naar beneden, meer pensioenen worden  verdeeld
 
In de Wvps is bepaald dat indien  het deel van het ouderdomspensioen dat bestemd is voor de verdelingsgerechtigde partner  lager is dan het afkoopbedrag55 (€ 484,09 per jaar in 2019), de verevening niet wordt uitgevoerd. Het gaat hier dus om aanspraken van – onverdeeld – maximaal ca. € 970,– per jaar die niet verevend  worden, ter voorkoming van veel kleine pensioenen in de administratie. Dat zijn flink wat pensi- oenen die, om administratieve redenen, niet verdeeld worden. Deze regel stamt uit 1995. De regering  ziet aanleiding om deze grens te herzien. In het licht van de Wet waardeoverdracht klein pensioen  zijn de oorspronke- lijke administratieve overwegingen voor de grens niet meer doorslag- gevend. De verwachting is dat heel veel kleine pensioenen via automa- tische waardeoverdracht zullen uitgroeien tot grotere pensioenaanspraken. Kleine geconverteerde ouderdomspensioenen vallen ook onder het regime van automatische waardeoverdracht. Het daadwerkelijke effect van de Wet waardeoverdracht klein pensioen  kan nog niet met zekerheid bepaald worden, de komende  jaren zullen moeten uitwijzen of automatische waardeoverdracht in de praktijk  goed gaat lopen. Een tweede argument om de grens te herzien, heeft te maken met de voorgestelde aanpassing  van de standaard verdeelmethode in conversie. De verdelingsgerechtigde partner  kan een (klein) geconverteerd ouderdomspensioen overdragen naar de eigen huidige pensioenuit- voerder, om zodoende pensioenaanspraken bij elkaar te brengen. Dit kan ook een opschonend effect hebben in de betreffende pensioenadminis- traties.
 
Het schrappen  van de grens heeft consequenties voor pensioenuit- voerders.  Ten behoeve van de evaluatie  heeft SEO Onderzoek onderzocht wat het effect voor pensioenuitvoerders zou zijn als de grens uit de wet zou worden  gehaald. Uit het SEO-rapport  blijkt  dat het lastig is om een goede inschatting te maken van het aantal extra pensioenverdelingen dat
zich zal voordoen als de grens zou worden  geschrapt.  SEO geeft een schatting  die uiteenloopt van 4.000 tot 15.000 extra pensioenverdelingen per jaar.
 
Om de administratieve lasten voor pensioenuitvoerders toch te beperken, is het helemaal  schrappen  van de grens niet wenselijk. Kleine pensioenen van bijvoorbeeld € 75,– per jaar zouden zonder het hanteren van een grens dan bij scheiding ook voor verdeling in aanmerking komen. In dit wetsvoorstel wordt daarom de grens verlaagd.  Het ouderdomspensioen dat in de huwelijkse periode  is opgebouwd en gelijk of lager is dan de afkoopgrens wordt niet verdeeld.  Dat betekent dat pensioenaanspraken tussen € 484,09 en € 968,18,– per jaar (beide bedragen  2019) na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wel voor verdeling in aanmerking komen. Pensioenuitvoerders hoeven hierbij enkel naar de hoogte van het te verdelen ouderdomspensioen te kijken. Valt dat onder de afkoopgrens,
dan hoeft de pensioenuitvoerder het opgebouwde ouderdomspensioen niet te verdelen.  Wel wordt in dat geval het opgebouwde partnerpensioen afgesplitst naar bijzonder  partnerpensioen.
 
Bedraagt het tijdens  het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen meer dan de afkoopgrens, dan komt het ouderdomspensioen voor verdeling in aanmerking en wordt het (in de standaardsituatie) samen met het in de huwelijkse periode  opgebouwde partnerpensioen geconverteerd. Gevolg is wel dat hiermee  tot een ouderdomspensioen van ongeveer  € 970 twee kleine ouderdomspensioenen worden  gecreëerd. Indien een pensioenuit- voerder geen gebruik  maakt van zijn recht op automatische waardeover- dracht conform de Wet waardeoverdracht klein pensioen,  betekent dit dat de pensioenuitvoerder meer kleine pensioenen zal moeten administreren. Voor de kleine geconverteerde aanspraken gelden dezelfde regels voor afkoop en waardeoverdracht als een reguliere slapersaanspraak ouderdomspensioen.
 
Pensioenuitvoerders krijgen  door het verlagen van de verdelingsgrens te maken met meer verdelingen. Met behulp van de Pensioenaansprakensta- tistiek 2015 van het CBS56 is berekend dat de combinatie van het automatisch tot verdeling overgaan  en het verlagen van de verdelings- grens tot ongeveer  7.500 extra te verdelen pensioenaanspraken per jaar leiden. De aantallen  afgesplitste bijzonder  partnerpensioenen wijzigen niet door het verlagen van de verdelingsgrens, in de huidige situatie  wordt het bijzonder  partnerpensioen ook afgesplitst als het ouderdomspensioen op grond  van de verdelingsgrens niet wordt verdeeld.  Wel zal het aantal kleine pensioenen naar verwachting toenemen,  de schatting  loopt  uiteen van 7.500 tot 15.000 extra kleine pensioenen per jaar. Deze kleine pensioenen vallen onder de regels van automatische waardeoverdracht en kunnen worden  overgedragen als er een nieuwe  pensioenuitvoerder beschikbaar is.
 
Kleine en hele kleine bijzonder  partnerpensioenen
 
De Wet waardeoverdracht klein pensioen  is niet van toepassing op bijzonder  partnerpensioen. Een klein bijzonder  partnerpensioenen (maximaal € 484,09 per jaar, bedrag 2019) is een recht voor de verdelings- gerechtigde partner  en wordt niet mee overgedragen als het ouderdoms- pensioen  van de verdelingsplichtige partner  wordt overgedragen. Een klein bijzonder  partnerpensioen kan worden  afgekocht57, maar dit is net als bij afkoop van kleine ouderdomspensioenen niet altijd  succesvol. Daarom wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat een pensioenuitvoerder het recht krijgt om een klein bijzonder  partnerpensioen uit te ruilen  in een aanspraak op ouderdomspensioen als de verdelingsgerechtigde partner hier geen bezwaar tegen heeft, en het pensioen  nog niet is ingegaan. Op deze manier is er op pensioengebied geen binding meer met de
ex-partner en kan het ouderdomspensioen worden  overgedragen aan de eigen pensioenuitvoerder. Dit geconverteerde ouderdomspensioen valt wél onder de Wet waardeoverdracht klein pensioen.  Een pensioenuit- voerder kan de uitruil voor een nieuw  klein bijzonder  partnerpensioen doen binnen zes maanden  nadat het pensioen  is vastgesteld.  Dit recht geldt niet als de verdelingsgerechtigde partner  bewust  heeft gekozen voor behoud van het bijzonder  partnerpensioen (m.a.w. als deze gebruik  heeft gemaakt van het keuzerecht om het partnerpensioen buiten de conversie te laten). Voor bestaande kleine bijzonder  partnerpensioenen krijgen pensioenuitvoerders een termijn van twee jaar na inwerkingtreding voor de genoemde  uitruil. De begunstigde van het klein bijzonder  partnerpen- sioen moet hier expliciet  mee instemmen.
 
Ook verdelingsgerechtigde partners  krijgen  het recht een klein bijzonder partnerpensioen uit te ruilen  naar een aanspraak op ouderdomspensioen. Dit kan tot uiterlijk de ingangsdatum van het ouderdomspensioen van de verdelingsgerechtigde partner.  De wens van een verdelingsgerechtigde partner  om uit te ruilen  heeft voorrang op het eenzijdige afkooprecht van een pensioenuitvoerder. Een pensioenuitvoerder is verplicht deze uitruil uit te voeren.
 
Voor hele kleine bijzonder  partnerpensioenen bestaat geen officiële grens. Met dit wetsvoorstel wordt dit geïntroduceerd op maximaal € 2,– per jaar, gelijk aan de grens voor hele kleine ouderdomspensioenen. De verhouding tussen de uitvoeringskosten en de hoogte van de aanspraak is bij deze hele kleine bijzonder  partnerpensioenen fors uit evenwicht. Het is wettelijk mogelijk om deze kosten te beperken door deze kleine pensi- oenen af te kopen, maar in de praktijk  biedt dit geen soelaas. Mensen reageren niet tot nauwelijks op afkooppogingen van beperkte bedragen. Daarom wordt voorgesteld dat bestaande hele kleine bijzonder  partner- pensioenen mogen vervallen. Dit is een recht voor pensioenuitvoerders, geen plicht.  Hierbij  geldt de voorwaarde dat de betrokkene  geïnformeerd wordt en mits dit in overeenstemming is met de evenwichtige belangenaf- weging58. Tevens wordt geregeld dat uitvoerders in het bestuursverslag verantwoording afleggen over de grootte van de vrijval  en de bestemming ervan. Aan het laten vervallen van de heel kleine bijzonder partnerpensioenaanspraken zijn geen fiscale gevolgen  voor de deelnemer of gewezen deelnemer  verbonden. Ter voorkoming van het ontstaan van nieuwe  hele kleine bijzonder  partnerpensioenen wordt geregeld dat zij niet worden  afgesplitst, en dus niet ontstaan.  Een heel klein bijzonder partnerpensioen blijft daardoor als partnerpensioen bij de verdelings- plichtige partner.