Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging

Geschreven door Lexalert
Foto: Shaun Fisher  

Het wetsvoorstel Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging biedt een wettelijke grondslag om met het oog op het bevorderen van eenvoudige, snelle, effectieve  en de-escalerende geschilbeslechting te kunnen experimenteren met innovatieve vormen van rechtspleging. Daartoe kan binnen bepaalde grenzen en onder een aantal strikte voorwaarden bij algemene  maatregel van bestuur tijdelijk worden  afgeweken  van artikelen  in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), de procesrechtelijke bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en van de Faillissementswet (Fw), en de daarop gebaseerde lagere regelgeving. Als dit nodig  is ter ondersteuning van het experiment, kan ook worden  afgeweken  van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz). De experimenten zijn beperkt in omvang en worden  door middel van een onafhankelijk onderzoek

geëvalueerd. Op basis van de uitkomst van de evaluatie  wordt besloten  of het experiment aanleiding geeft tot definitieve aanpassing  van de wetgeving.

Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om in de praktijk  te onderzoeken  hoe de procesvoering voor de burgerlijke rechter kan worden  verbeterd, met het oog op de behoefte van rechtzoekende burgers en bedrijven aan meer eenvoud,  snelheid,  en effectiviteit in de gerechtelijke geschilbeslechting

en aan de-escalatie van het conflict. De experimenten zijn gebonden aan de fundamentele beginselen van procesrecht en grenzen die voortvloeien uit de Grondwet, voor Nederland  geldende  verdragen en EU-regelgeving. Die fundamentele beginselen van procesrecht garanderen dat burgers en bedrijven met een juridisch geschil toegang  hebben tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter die na een eerlijke en transparante behandeling

van hun zaak, binnen een redelijke  termijn zo nodig  tot een uitspraak  in het geschil komt. De rol van de rechter verandert niet in het experiment. Hij blijft de rechtsprekende magistraat bij wie een rechtzoekende een juridisch afdwingbare eindbeslissing in een geschil kan verkrijgen.

Burgers en bedrijven kunnen er ook voor kiezen om zich tot een mediator te wenden  of andere vormen  van hulpverlening te zoeken.

Het huidige reguliere procesrecht voor de burgerlijke rechter kent uitgebreide juridische mogelijkheden die vooral van belang zijn voor complexe geschillen:  het vragen van extra bewijsopdrachten en getuigenverhoor, het instellen  van incidentele vorderingen tijdens  de procedure waarop  de rechter eerst moet ingaan, en dergelijke. Bij eenvoudigere conflicten is het primair van belang om het conflict niet op de spits te drijven en partijen  weer bij elkaar te brengen. De afgelopen jaren heeft de rechtspraak enkele initiatieven genomen  om binnen de mogelijkheden die Rv nu biedt, pilots  te houden met alternatieve gerechtelijke procedures. Een voorbeeld is de spreekuurrechter in de rechtbank Noord-Nederland (zie verder paragraaf  3 hieronder). Die pilots  beogen met name de toegankelijkheid van de rechter te vergroten door het aanbieden  van een alternatieve procedure met een informeler karakter en het bevorderen van een schikking  tussen partijen. Ze vormen  een belangrijke bijdrage om te onderzoeken  hoe de gerechtelijke procedure kan worden  verbeterd. Uit

die pilots  blijkt  dat er behoefte bestaat aan andere, alternatieve vormen van geschilbeslechting door de rechter. De pilots  met een experimentele rechtsgang voor de burgerlijke rechter zijn gebaseerd op artikel 96 Rv. Dit artikel biedt partijen  de gelegenheid een geschil aan de kantonrechter voor te leggen, waarna de kantonrechter in overleg  met de partijen  een passende, van het reguliere procesrecht afwijkende rechtsgang vaststelt. Partijen kunnen deze mogelijkheid gebruiken als zij daar gezamenlijk toe besluiten of als de verwerende partij  daarmee instemt. Wanneer de verhouding tussen twee partijen  die een geschil hebben, is verslechterd

en zij niet meer met elkaar in gesprek zijn, zal de verweerder vaak alleen al om die reden niet instemmen met een afwijkende procedure. Dit element blijkt  partijen  te weerhouder van deelname  aan een pilot-procedure. Daarnaast worden  de pilots  beperkt doordat artikel 96 alleen openstaat voor zaken waarin  de rechtsgevolgen door de partijen  zelf mogen worden bepaald. In bijvoorbeeld het familierecht is dit vaak niet het geval. Zo zijn echtscheiding en tot op zekere hoogte ook gezag en kinderalimentatie onderwerpen die partijen  niet zelf kunnen regelen. Een pilot op basis van artikel 96 is dan niet mogelijk.

Wijzigingen in het procesrecht worden  tot nu toe onmiddellijk in definitieve wetgeving gegoten. Het is echter niet altijd  direct te overzien welke aanpassingen nu precies nodig  zijn om het gewenste  doel te bereiken. Daarom is het van belang dat de wetgeving ruimte  biedt om eerst een zorgvuldig voorbereid experiment uit te voeren, zodat proefondervindelijk kan worden  vastgesteld of een bepaalde innovatieve aanpak het gewenste gevolg  heeft. Wanneer na grondige evaluatie  van het experiment blijkt  dat de innovatieve procedure positieve effecten heeft, kan het experiment in definitieve wetgeving worden  omgezet. Daarbij kan de procedure worden aangepast om eventuele  negatieve  neveneffecten te ondervangen. Wetswijzigingen kunnen zo beter worden  onderbouwd. Die experimenten moeten ook buiten het kader van artikel 96 kunnen treden. Het wetsvoorstel maakt dit mogelijk. Bij experimenten op basis van dit wetsvoorstel kan gedacht worden  aan een meer op de belangen  van het gehele gezin gerichte  rechtsgang voor scheidingszaken of aan een snelle, informele procedure voor eenvoudige handelsgeschillen. Het

wetsvoorstel biedt een wettelijke grondslag om te experimenteren met dit soort innovatieve gerechtelijke procedures.  Die procedures zijn erop gericht om de rechtspraak eenvoudiger, sneller en effectiever  te maken, om partijen  dichter bij elkaar te brengen  en te voorkomen dat conflicten verder op de spits worden  gedreven. In de paragrafen 6.1, 6.2 en 6.3 hieronder zijn drie voorbeelden uitgewerkt van experimenten. Dit betreft een procedure voor eenvoudige handelsgeschillen, een procedure met een aan de rechtbank toegevoegd deskundig  lid en een alternatieve scheidingsprocedure.

Naast het procesrecht in het Rv, zijn ook de procesrechtelijke bepalingen van de Fw in dit wetsvoorstel opgenomen, onder andere met het oog op experimenten in het kader van de brede aanpak van de schuldenproblematiek, die ook de procesrechtelijke aspecten van de Fw (schuldsanering) raken. De procesrechtelijke bepalingen van Boek 1 BW zijn opgenomen om experimenten met een alternatieve scheidingsprocedure mogelijk te maken. Van de Wet RO kan worden  afgeweken  om experimenten met organisatorische maatregelen mogelijk te maken. In het wetsvoorstel zijn twee wetten  opgenomen waarvan  enkel kan worden  afgeweken  in het kader van experimenten met een of meer van de in artikel 1, eerste lid, opgesomde wetten:  dat zijn de Wgbz en de Wrb. Bij het experimenteren met innovatieve vormen  van rechtspraak kan het nodig  zijn om deze twee wetten  te betrekken bij de experimentele afwijking van andere regels. Zo kan het bijvoorbeeld wenselijk  zijn om de inning of de hoogte van het

griffierecht of de voorwaarden waaronder aanspraak gemaakt kan worden op gesubsidieerde rechtsbijstand, aan te passen aan de aard van een experimentele procedure voor de burgerlijke rechter. Het wetsvoorstel heeft voornamelijk betrekking  op procedures voor de civiele rechter, maar experimenten met de Wet RO kunnen ook betrekking  hebben op procedures in het strafrecht  of bestuursrecht.

De rechtspraak vormt een essentieel element  van onze rechtsstaat. Daarom dient de rechtspraak ook in een experimentele omgeving voorspelbaar en consistent te zijn. Burgers en bedrijven moeten weten wat hun in een procedure te wachten  staat. De experimenten moeten dan ook met grote zorgvuldigheid worden  omgeven. De ruime afwijkingsmogelijkheid die dit wetsvoorstel biedt, wordt omkleed  met ruime waarborgen. Ieder experiment moet eenvoudige, snelle, effectieve  en

de-escalerende geschilbeslechting bevorderen. Experimenten zijn tijdelijk van aard en duren in beginsel  maximaal drie jaar. Ze zullen doorgaans  in één of in een beperkt aantal gerechten worden  uitgevoerd. Het wetsvoorstel garandeert dat de grondwettelijke regels en de fundamentele beginselen van procesrecht in de algemene  maatregel van bestuur en in de experimentele procedures worden  gewaarborgd. Er kan niet worden  afgeweken  van verdragen waarbij Nederland  verdragspartij is en van verordeningen en richtlijnen van de Europese Unie. Een

experiment wordt vastgelegd in een algemene  maatregel van bestuur, die de regels bevat die afwijken  van het reguliere procesrecht en van de aanverwante wetten.  De artikelen  uit de wet of wetten  waarvan  wordt afgeweken,  worden  in de algemene  maatregel van bestuur over het experiment expliciet  genoemd. Het reguliere (proces-)recht blijft gelden voor zover de algemene  maatregel van bestuur er niet van afwijkt. In de toelichting bij de algemene  maatregel van bestuur wordt beschreven  hoe deze afwijkingen van het reguliere procesrecht in de praktijk  zullen uitwerken en zo wordt duidelijk gemaakt hoe de innovatieve procedure verloopt. De algemene  maatregel van bestuur bepaalt de doelstelling en de tijdsduur van het experiment en op welke procedures en in welke gerechten het experiment van toepassing is. Er zal een onafhankelijke en multidisciplinaire Toetsingscommissie experimenten rechtspleging worden ingesteld. Die krijgt tot taak te toetsen of voorstellen voor experimenten voldoen aan de eisen van deze wet en aan de eisen die in een algemene  maatregel van bestuur voor de opzet en evaluatie  van experimenten worden  opgenomen. De Toetsingscommissie zal adviseren over de uitvoering en evaluatie  van het experiment. Als uit de evaluatie van een experiment blijkt  dat de innovatieve procedure positieve effecten

heeft, ligt het in de rede dat de desbetreffende wetgeving daarop definitief wordt aangepast.

Vanwege het experimentele karakter is dit een tijdelijke wet met een looptijd van vijftien jaar. Na tien jaar wordt de wet geëvalueerd.

Het wetsvoorstel maakt deel uit van het wetgevingsprogramma «Verbetering van het burgerlijk procesrecht», dat het kabinet in gang heeft gezet  in het kader van het streven naar maatschappelijk effectievere rechtspraak. Dergelijke rechtspraak vereist procedures die partijen  bij elkaar brengen  en conflicten niet op de spits drijven. Dit programma moet leiden tot innovatieve procedures,  passend bij de verschillende soorten geschillen waar burgers en bedrijven mee te maken kunnen krijgen.  De wetsvoorstellen voor twee nieuwe  procedures uit dat programma zijn inmiddels afgerond. De Wet afwikkeling massaschade in een collectieve actie (Stb. 2019, 130) verruimt de mogelijkheden voor burgers om samen op te trekken in één collectieve  procedure om een massaschade af te wikkelen.  De wet voor het Netherlands Commercial Court (Stb. 2018, 474)

biedt voor complexe internationale handelsgeschillen de mogelijkheid van een Engelstalige  procedure én uitspraak.  Verder wordt het beslagen executierecht verbeterd met als doel de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende tenuitvoerlegging effectiever  en efficiënter te laten plaatsvinden. Ook zal beslaglegging alleen kunnen plaatsvinden als een schuldenaar  daadwerkelijk verhaal biedt en mag zij dus niet louter als pressiemiddel worden  gebruikt. Tevens wordt het bestaansminimum van schuldenaren bij beslaglegging en tenuitvoerlegging van een rechterlijk vonnis  beter geborgd. Daarnaast is er geconsulteerd over een conceptwetsvoorstel dat de regels moderniseert die bepalen hoe burgers en bedrijven de informatie kunnen verzamelen  die zij nodig  hebben om hun kant van het verhaal met bewijs te onderbouwen.

1. Aanleiding

Rechtspraak staat in Nederland  op een hoog niveau. In de Rule of Law Index 2019 van het World  Justice Project staat de civiele rechtspraak op de tweede plaats in de wereldranglijst van 126 onderzochte  staten.1 Het onderzoek is gebaseerd op de ervaringen van de burger  en van nationale experts. Teneinde een dergelijke positie  te handhaven, blijft het kabinet kritisch  kijken of het stelsel van rechtspraak voor de burgerlijke rechter voldoende aansluit op de samenleving. Die samenleving verandert snel, mede onder invloed van technologische ontwikkelingen en digitalisering, zij wordt complexer en individualistischer.

De veranderende karakteristiek van de samenleving heeft implicaties voor de rechtspraak. Het one size fits all-model van het civiele procesrecht voldoet niet langer en procedures die jarenlang  voortslepen, worden minder geaccepteerd.  De rechtspraak moet in staat zijn om adequaat te reageren op de wisselende behoeften van mensen en hun wisselende vermogen om conflicten op te lossen. Het reguliere procesrecht blijkt  hier onvoldoende op te zijn ingericht en is dus alleen al om die reden aan verbetering toe. Het is bijvoorbeeld niet voor iedereen die een geschil wil voorleggen aan de rechter, even eenvoudig om bij het starten van een procedure of bij het voeren van verweer  zijn standpunt schriftelijk te formuleren. Dit komt mede doordat de huidige dagvaarding en het verzoekschrift vooral gericht zijn op de juridische inkadering van het geschil. Daarvoor  is juridische expertise  nodig. Een deel van de burgers houdt graag zelf de regie en voert graag zelf het woord.  Maar vanwege  de schriftelijke stukkenwisseling waar het procesrecht nu veelal vanuit  gaat en de juridische merites  van een rechtszaak, voelt men zich al snel genoodzaakt  om een advocaat of andere procesvertegenwoordiger (bijvoorbeeld deurwaarder) in te schakelen, ook al is dat bijvoorbeeld bij de kantonrechter niet noodzakelijk.

Daarnaast zijn het vaak de juridische schermutselingen die een procedure lang en ingewikkeld maken. Door het one size fits all-model zijn in veel procedures dezelfde procedurele (zij)stappen  mogelijk. De procedure kan daardoor zo uitdijen dat partijen  uiteindelijk hun aanvankelijke geschil niet meer herkennen.  Ook worden  conflicten soms juridisch op de spits gedreven  en graven partijen  zich in in het eigen standpunt in plaats van te zoeken naar een gezamenlijke oplossing. Dat is niet bevorderlijk voor de verhouding tussen partijen  die ook na de gerechtelijke procedure vaak

nog met elkaar te maken hebben, als huurder en verhuurder, als werkgever  en werknemer, of als leverancier en afnemer.

Er is daarom behoefte aan eenvoudige en snelle procedures en aan methoden om partijen  in de loop van de procedure dichter bij elkaar te brengen  en te voorkomen dat het conflict verder op de spits wordt gedreven. Doorgaans  biedt een schikking  een duurzamer oplossing dan een eenzijdig opgelegd  vonnis  waarbij de ene partij  (grotendeels) in het gelijk en de ander (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld. De rechter kan partijen  helpen tot een vergelijk  te komen en pas als dat niet lukt, snel uitspraak  doen. Zo kan rechtspraak er wezenlijk  toe doen in de samenleving.  Juridische geschillen hebben immers  vaak een grote impact  op het dagelijks leven van de betrokkenen.

In een poging  in de praktijk  te onderzoeken  hoe de rechtspraak dichter bij de burger  kan komen, zijn en worden  er door de rechtspraak diverse pilots uitgevoerd met alternatieve vormen  van rechtspraak, zoals die van spreekuurrechter in de rechtbank Noord-Nederland (zie o.a. NJB 2017, 40, p. 2936–2944 en zie hierna paragraaf  3 voor een nadere uiteenzetting over de pilots).  Die pilots  zijn gebaseerd op artikel 96 Rv. Dat artikel kent een aantal beperkingen, zoals in paragraaf  1 geschetst. Experimenteren door de rechtspraak door middel van pilots  op basis van artikel 96 is bijzonder nuttig,  maar onvoldoende voor alle procesrechtelijke alternatieven die een onderzoek verdienen (zie nader paragraaf  3). Dit wetsvoorstel breidt de ruimte  om te kunnen experimenteren uit. Het volgen  van een experimentele  procedure kan verplicht gesteld worden. Dergelijke procedures kunnen ook bij de rechtbanken  en gerechtshoven ingericht worden. Het kan ook om zaken gaan die niet ter vrije bepaling van partijen  staan, zoals echtscheidingsprocedures.

Hierna zijn in paragrafen 6.1, 6.2 en 6.3 drie concrete voorbeelden voor experimenten nader beschreven  die op basis van de voorgestelde regeling bij algemene  maatregel van bestuur gerealiseerd  kunnen worden. Dat zijn de procedure voor eenvoudige handelsgeschillen, het aan de rechtbank toegevoegde deskundige lid en de alternatieve scheidingsprocedure. Het zijn zoals gezegd voorbeelden: de gedachtevorming over de experimenten die na afronding van dit wetsvoorstel worden  uitgevoerd, is nog in volle gang en hierover  zal verder overleg met de rechtspraktijk plaatsvinden.

2. De mogelijkheden voor experimenten op basis van de huidige wetgeving

Binnen de mogelijkheden die Rv nu biedt en met name op basis van de procedurele vrijheden van artikel 96 Rv, is er de afgelopen jaren al geëxperimenteerd en lopen er momenteel diverse pilots  van de rechtspraak. Hieronder wordt ingegaan  op die experimenten en pilots.  Verder wordt in deze paragraaf  ingegaan  op de procedurele flexibiliteit die de wetswijzigingen uit 2016 bieden.2

In het verleden zijn er enkele initiatieven van de rechtspraak geweest om op basis van artikel 96 te experimenteren met procesregels die afwijken van de reguliere procedure. Een voorbeelden hiervan  is de eKantonprocedure. Medio 2014 werd een beveiligde omgeving geopend waarin burgers en bedrijven eenvoudige zaken, waarin  geen feitenonderzoek hoeft plaats te vinden,  digitaal konden voorleggen aan de rechtbanken Rotterdam  en ‘s-Hertogenbosch. In een digitale omgeving konden ze de zaak volgen  en de uitspraak  ontvangen. Er werden  van 2014 tot 2017 slechts veertien  zaken ingediend. Uit onderzoek onder vijf bij het experiment betrokken rechtsbijstandsverzekeraars bleek dat de belangrijkste redenen voor het uitblijven van zaken was dat partijen  ingevolge artikel 96 Rv gezamenlijk moesten besluiten tot het volgen  van deze procedure.

Een ander experiment betrof  de burenrechter in de rechtbank

Oost-Brabant. In 2015 konden bemiddelaars, zoals woningbouwverenigingen,  de politie, rechtsbijstandsverzekeraars en gemeenten,  conflicten tussen buren doorverwijzen naar de burenrechter. De rechter bezocht de buren om te horen wat er speelde. In een hoorzitting in de buurt of in het gerechtsgebouw werd vervolgens geprobeerd om er alsnog onderling uit te komen. Lukte dat niet, dan nam de rechter een bindende  beslissing. Ook hier was de toestroom van zaken beperkt tot slechts twaalf  zaken. De voorwaarde van artikel 96 dat de procedure gezamenlijk aanhangig gemaakt moet worden, was wederom een te hoge drempel. Verder bleek dat de bemiddelaars die de zaken doorverwezen en die verantwoordelijk waren voor het invullen van de formulieren, dit als belastend  ervoeren. Wanneer er geen schikking  werd getroffen, was het voor de rechter bovendien soms lastig om in een vonnis  te moeten beslissen over een zaak die niet op een vordering of andere wettelijke aanspraak was gebaseerd, maar op een vage, niet in een juridisch kader te vatten klacht. Om diezelfde reden waren de afspraken die in een schikking  waren gemaakt, vaak moeilijk in een vonnis  vast te leggen.

Na enkele van deze experimenten is de rechtspraak in 2016 een traject gestart onder de noemer «maatschappelijk effectieve  rechtspraak»  (MER). De rechtspraak wil in dat kader door middel van pilots  onderzoeken  hoe het werk van de rechter zoveel mogelijk effect heeft om problemen van rechtzoekenden in de samenleving op te lossen. In die pilots  worden  met name op basis van artikel 96 Rv innovatieve procedures uitgeprobeerd.

Op 12 december 2018 is een brief van de Raad voor de rechtspraak naar de Tweede Kamer gestuurd met een overzicht  van de lopende  en te starten pilots  en de overige  ontwikkelingen in dat traject (Kamerstukken

2018/19, 29 279, nr. 476). Hier wordt volstaan  met een schets van enkele ontwikkelingen die zich sinds die brief hebben voorgedaan en met enkele aanvullende opmerkingen.

Op het gebied van de civiele rechtspraak zijn er momenteel vier thema’s binnen MER: toegang  tot de rechter; multiproblematiek en schulden; complexe echtscheidingen; en toezicht op bewind. Wat betreft  de pilots rond de toegang  tot de rechter gaat in juli 2019 in Overijssel  de Overlegrechter van start. Deze pilot legt een bijzonder  accent op conflicten die voor buurtbemiddeling te zwaar zijn. Ook zal worden  ingezet op zaken die worden  verwezen door mediators en waarvoor de procedure zal functioneren als een deelgeschilprocedure bij de rechter, waarna de mediation kan worden  voortgezet. In de rechtbank Noord-Holland is op 1 januari

2019 een project met de bouwrechter voor consumentengeschillen in (ver)bouwzaken van start gegaan. De rechtbank Limburg voert gesprekken met de gemeenten Heerlen en Roermond, het Juridisch Loket en het Veiligheidshuis over het opzetten van een Huis van het Recht, in de geest van de Huizen van het Recht van de SP. Er wordt daarbij gedacht aan juridische spreekuren  waarbij er aandacht is voor onderliggende en bijkomende problematiek. Dit kan betekenen dat de rechter indien  nodig aanwezig is op de locatie waar ook andere instellingen (bijvoorbeeld jeugdzorg)  werkzaam zijn. De rechter kan zo sneller worden  betrokken en via rechterlijke regie dichter op de zaak zitten. Het idee daarbij is dat de rechter bevoegdheden uit verschillende rechtsgebieden kan combineren.

Op dit moment wordt verkend hoe dit idee past binnen ieders rol en verantwoordelijkheid. Verder wordt op verschillende plekken in het land, zoals in Noord-Nederland, Noord-Holland en Limburg, geëxperimenteerd met de videorechter, om zo de toegankelijkheid van de rechtspraak te vergroten.

Op het terrein  van de schuldenproblematiek is de rechtbank MiddenNederland  gestart met een pilot in samenwerking met zorgverzekeraars. Zaken over achterstallige zorgverzekeringpremies worden  op een aparte rolzitting aangebracht  en twee maanden  later geclusterd  mondeling behandeld. De gemeente is aanwezig bij de rolzitting en kan hulp in gang zetten zodat daarna op de mondelinge behandeling een goede regeling kan worden  getroffen. Bij de mondelinge behandeling komt de hele schuldenproblematiek ter sprake om nieuwe  procedures te voorkomen. In de rechtbank Amsterdam zijn er eveneens speciale rolzittingen over achterstanden in betalingen van zorgpremie. Hierbij  beschikt de rechtbank over een machtiging van de zorgverzekeraar  om regelingen te treffen.  Ook kent de rechtbank Amsterdam zogenaamde  huurbulkzittingen. Daarin beschikt de rechtbank over een machtiging van vijf woningbouwverenigingen om een regeling te treffen.  Lukt dat niet, dan wordt de zaak twee weken later op zitting  gebracht.

In 2019 worden  bij de rechtbanken  Den Haag en Oost Brabant pilots gestart in zogenaamde  regiolabs  op het terrein  van complexe echtscheidingen.  In deze regiolabs  wordt bij een aantal gemeenten in die arrondissementen een scheidingsloket ontwikkeld en wordt gewerkt  aan experimenten met een gezamenlijke toegang  tot de rechter in echtscheidingsprocedures. Deze pilots  spelen in de context  van het programma Scheiden zonder schade (zie hieronder in paragraaf  6.3).

Wat betreft  het toezicht op bewind is van belang dat hier al een hoge graad van digitalisering is bereikt. In ruim  70.000 zaken zijn de stukken inmiddels digitaal aangemeld. Een pilot bij de rechtbank Oost-Brabant richt zich op het verder ontwikkelen van «big data»-toepassingen voor de vormgeving van slim digitaal toezicht op professionele bewindvoerders. Naast het starten van pilots  acht de Raad voor de rechtspraak ook de evaluatie  ervan van belang, om te leren van de ervaringen. De Spreekuurrechter in de rechtbank Noord-Nederland is in opdracht van de Rechtspraak geëvalueerd  door de Rijksuniversiteit Groningen, zoals is gemeld in bovengenoemde brief van 12 december 2018. Er zijn in twee jaar tijds

64 geschillen behandeld  door de Spreekuurrechter. Uit de evaluatie  blijkt onder meer dat het schikkingspercentage hoog is (91%). De meeste partijen zijn (zeer) positief over het optreden van de Spreekuurrechter en de uitkomst van de procedure, vooral dankzij de snelheid,  de lage kosten en de menselijke, niet-juridische benadering door de rechter. De onderzoekers vonden  dat de werkwijze met name bij burengeschillen bijdraagt aan een verbeterde, laagdrempelige toegang  tot de rechtspraak. Anderzijds blijkt  dat ook hier het gezamenlijkheidsvereiste als gevolg  van artikel

96 Rv leidt tot een beperking van de instroom aan zaken. Door dit vereiste is de procedure bovendien arbeidsintensief en daarmee kostbaar. Immers, het bureau van de Spreekuurrechter moet vooral bij eenzijdig aangemelde zaken relatief veel tijd investeren  in de benadering en informatie van de wederpartijen. De zittingen duren lang, ook doordat eerst de juiste feiten op een rij gezet moeten worden.

De Raad voor de rechtspraak heeft laten weten dat hij uit de pilots  een beargumenteerde selectie zal maken waarnaar  onafhankelijk wetenschappelijk evaluatieonderzoek zal plaatsvinden om zo tot onderbouwde en relevante  conclusies  te komen over de effectiviteit ervan. Vooralsnog zijn de pilots  met de Regelrechter  in Rotterdam, de Wijkrechter in Den Haag (beide genoemd  in de brief van 12 december 2018) en de Overijsselse Overlegrechter geselecteerd.  Bij het onderzoek zal er, voor zover mogelijk, aandacht zijn voor de maatschappelijke opbrengsten van de pilots  en voor een kosten-batenanalyse. Het kader voor het onderzoek naar deze pilots zal het uitgangspunt vormen  bij de ontwikkeling van een meer algemeen evaluatiekader voor MER-experimenten. Op basis van die evaluaties wil de Raad voor de rechtspraak conclusies  trekken over welke werkwijzen

wel en welke niet werken en waarom. Die uitkomsten zullen ook betrokken worden  bij het ontwerpen van experimenten op basis van dit wetsvoorstel.

De Raad voor de rechtspraak zal de ontwikkeling van pilots  op de grondslag van artikel 96 Rv (met instemming van beide partijen)  voortzetten. Bij de toepassing van dit wetsvoorstel kan daarmee voordeel worden  behaald, omdat de inhoud  en reikwijdte van experimenten dan mede op basis van de ervaringen uit de pilots  bepaald kan worden. Naast de mogelijkheden die artikel 96 Rv al geruime  tijd biedt, is de procedurele flexibiliteit vergroot door wetswijzigingen uit 2016 die zijn voortgevloeid uit het project Kwaliteit en Innovatie  Rechtspraak (hierna:

de wetgeving uit 2016, zie voetnoot 2). Die wetgeving biedt mogelijkheden om procedures te vereenvoudigen en versnellen en partijen  in een procedure dichter bij elkaar te brengen.3 De rechter krijgt meer ruimte  om de mondelinge behandeling af te stemmen  op de bijzonderheden van de zaak en de wensen van partijen  en hemzelf en om maatwerk te bieden. Partijen weten daardoor beter wat ze kunnen verwachten op een mondelinge behandeling. Daarmee draagt die wetgeving bij aan de vereenvoudiging en versnelling van het procesrecht.  Het is echter niet voldoende om hetzelfde te bereiken als er met dit wetsvoorstel wordt beoogd.  De wetgeving uit 2016 beoogt vooral in individuele zaken maatwerk mogelijk te maken. Het onderhavige wetsvoorstel wil het mogelijk maken om voor bepaalde categorieën zaken de meest effectieve procedure te onderzoeken  en om te onderzoeken  hoe bepaalde aspecten die in veel procedures voorkomen, kunnen worden  verbeterd. Hoe kan bijvoorbeeld een echtscheidingsprocedure zo worden  ingericht dat deze

zo harmonieus mogelijk verloopt. En is het bijvoorbeeld zinvol om in procedures over bepaalde technisch  complexere vraagstukken, een deskundige lekenrechter  aan het gerecht toe te voegen. Dat zijn vraagstukken die niet met de wetgeving uit 2016 kunnen worden  opgelost.

3. De grenzen en voorwaarden van experimenten

3.1. Inleiding

De mogelijkheden in het wetsvoorstel om bij algemene  maatregel van bestuur af te wijken van en aan te vullen  op een zestal wetten  zijn in de artikelen  1 en 2 in een kader geplaatst.  Het doel van dat kader is te waarborgen dat de experimenten met gerechtelijke procedures binnen de grenzen van de rechtsstaat  blijven en aan bepaalde voorwaarden voldoen. Ten eerste moeten experimenten binnen de doelstelling van het wetsvoorstel blijven. Ten tweede zijn bepaalde artikelen  van de wetten  die in artikel 1, eerste en tweede lid, zijn genoemd, uitgesloten van afwijking. Ten derde moeten de grondrechten en fundamentele beginselen van procesrecht gewaarborgd worden. Ten vierde mag in een experiment,

voor zover nog niet neergelegd in de grondrechten en fundamentele beginselen, niet worden  afgeweken  van verdragen en van Europese regelgeving. Ten slotte moet elke algemene  maatregel van bestuur voldoen aan enkele inhoudelijke voorwaarden die het wetsvoorstel stelt aan experimenten. Deze onderdelen van het kader worden  hieronder nader toegelicht.

3.2. De doelstelling van het wetsvoorstel

In iedere algemene  maatregel van bestuur moet het doel van het experiment worden  opgenomen (artikel 2, eerste lid, onder a). Dat doel moet vallen binnen het bereik van de doelstelling van de wet: het bevorderen van eenvoudige, snelle, effectieve  en de-escalerende geschilbeslechting (artikel 1, eerste lid). Zo mogen experimenten niet bedoeld  zijn om bijvoorbeeld tijdelijke capaciteitstekorten op te vangen of bezuinigingen te realiseren.  Ze zijn bedoeld  om proefondervindelijk vast

te stellen op welke wijze het procesrecht en aanverwante wetgeving structureel verbeterd kan worden. In de toelichting bij elke algemene maatregel van bestuur moet duidelijk worden  gemaakt hoe verwacht wordt dat het desbetreffende experiment een bijdrage kan leveren aan de doelstelling van de wet. Bij de evaluatie  van het experiment worden  de uitkomsten van het experiment daaraan getoetst.

3.3. De wetten  waarvan  kan worden  afgeweken

Het wetsvoorstel maakt afwijking van – waaronder ook moet worden verstaan: toevoeging aan – een aantal (onderdelen van) wetten  op het terrein  van het burgerlijk procesrecht mogelijk: het Rv, de Wet RO, de Fw en Boek 1 BW. Bovendien  kan bij dergelijke experimenten tevens worden afgeweken  van de Wgbz en de Wrb als dat nodig  is ter ondersteuning van het experiment. De mogelijkheid om voor experimenten af te wijken van wetgeving is in het wetsvoorstel ruim  geformuleerd. Uitgezonderd zijn de onderdelen die buiten de doelstelling van dit wetsvoorstel vallen, zoals Boek 4 Rv over arbitrage en de materiële  bepalingen uit de Fw en uit Boek 1 BW. Verder zijn van de genoemde  wetten  de artikelen  waarin  de grondrechten en fundamentele beginselen van procesrecht zijn vastgelegd bij voorbaat uitgesloten van experimenten en enkele artikelen van zuiver organisatorische aard. Ook kan worden  afgeweken  van de bij of krachtens deze wetten  opgestelde algemene  maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. De ruime reikwijdte van de afwijkingsmogelijkheid van de aangewezen wetten  voorkomt dat in de toekomst experimenten onverhoopt oplopen tegen artikelen  waarvan  afwijking bij de Experimentenwet niet is voorzien.  Dan zou eerst een wijziging van deze wet nodig  zijn en zou pas daarna het experiment kunnen worden  opgezet. Dat zou afbreuk doen aan de doelstelling van deze wet en aan de daarmee beoogde innovatie van de rechtspraak.

De eerste wet waarvan  kan worden  afgeweken  die in artikel 1, eerste lid, onder a, van het wetsvoorstel is genoemd, is het Rv. Het gaat dan vooral om het Eerste Boek over het procesrecht voor vorderingsen verzoekprocedures in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie. Ook afwijking van het Tweede Boek is mogelijk. Daarin gaat het om gerechtelijke tenuitvoerlegging voorafgaand aan een gerechtelijke procedure (in geval van conservatoire maatregelen) of ten gevolge  van een gerechtelijke procedure (in geval van executoriale maatregelen, lijfsdwang, dwangsommen,  de schadestaatprocedure en zekerheidstelling) en is daarom onlosmakelijk verbonden met de gerechtelijke procedure. Zo worden  ook

experimenten mogelijk gemaakt die kunnen bijdragen aan oplossingen op het gebied van de schuldenproblematiek.

Het Derde Boek Rv gaat over diverse bijzondere  vormen  van rechtspleging, zoals in zaken van personenen familierecht, en over het recht inzake het conservatoir beslag.

Mede naar aanleiding van commentaar van de Adviescommissie BPR in de consultatie wordt hier benadrukt dat de procedureregels die in Rv zijn opgenomen voor de vorderingsen de verzoekprocedure het uitgangspunt blijven voor de rechtspraak. Dit is ook vastgelegd in artikel 1, derde lid, van het wetsvoorstel. Zowel Rv als de andere wetten  blijven gelden behalve voor zover er in een algemene  maatregel van bestuur van wordt afgeweken.  Alleen de afwijkingen van de wet worden  in de algemene  maatregel van bestuur opgenomen. Samen met de reguliere regels waarvan  niet is afgeweken,  vormen  ze de nieuwe  procedure. Ten behoeve van een goed begrip van de voorgestelde wijzigingen zal in de toelichting bij elke algemene  maatregel van bestuur een duidelijke omschrijving worden  gegeven van de manier waarop  een dergelijke experimentele procedure van begin tot eind verloopt.

Ingevolge het wetsvoorstel kan worden  afgeweken  van de procesrechtelijke bepalingen uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek over het personenen familierecht (artikel 1, eerste lid, onder b). Die kunnen van belang zijn voor een alternatieve echtscheidingsprocedure of voor een verplichting voor samenwonende ouders om geschillen over het gezamenlijk gezag over hun kinderen gezamenlijk voor te leggen aan de rechter. Zie ook hieronder in paragraaf  6.3.

Ook afwijkingen van de procedureregels in de Faillissementswet worden mogelijk gemaakt (artikel 1, eerste lid, onder c). Gedacht kan worden  aan een experiment met een schuldenrechter die alle zaken van een schuldenaar geconcentreerd behandelt en daarbij de wettelijke schuldsaneringsregeling uit Titel III Fw kan betrekken. Verder kan bij experimenten rond faillissementen worden  gedacht aan de mogelijkheid om een landelijke  kamer in te stellen waarin  een bepaalde categorie  zaken geconcentreerd wordt behandeld  door een team van rechters afkomstig uit de verschillende arrondissementen.

De Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) maakt deel uit van aan dit wetsvoorstel (artikel 1, eerste lid, onder d). Een voorbeeld voor een experiment met de Wet RO is de uitbreiding van de zaken die bij de reeds bestaande bijzondere  kamers, zoals de ondernemingskamer of de pachtkamer, kunnen worden  aangebracht  (artikelen  48 e.v. en 66 Wet RO). Ook kan gedacht worden  aan de toevoeging van een kinderrechter aan een meervoudige kamer (in afwijking van in artikel 53 Wet RO), zodat

diverse zaken rond een gezin met een meervoudige problematiek tezamen kunnen worden  behandeld  in één kamer. Of aan het instellen  van bijzondere procedures bij hoven of Hoge Raad, bijvoorbeeld in een variant op de prorogatie van rechtspraak, waarbij bepaalde zaken in eerste en enige aanleg aan een hof voorgelegd kunnen worden.

Afwijkingen van de Wrb zijn alleen mogelijk in experimenten die in hoofdzaak gaan om afwijkingen van Rv, de Wet RO en de procesrechtelijke bepalingen uit boek 1 BW en uit de Fw. Het is bijvoorbeeld de verwachting dat in experimentele procedures soms een specifiek toegeschreven vergoeding voor een toevoeging nodig  is. Een zelfstandig experiment met de Wrb, waarin  bijvoorbeeld enkel een innovatieve wijze van het verlenen van rechtsbijstand wordt onderzocht, is niet mogelijk.

De Wet griffierechten burgerlijke zaken is op dezelfde wijze in dit wetsvoorstel opgenomen (artikel 1, tweede lid, onder b) om desgewenst de verplichting tot betaling en inning van griffierechten af te stemmen  op de aard van bepaalde experimenten op het gebied van het burgerlijk procesrecht.  Bij de eerder genoemde  pilot met de spreekuurrechter is bijvoorbeeld van beide partijen  de helft van het griffierecht geheven.

3.4. De fundamentele beginselen van procesrecht

In elk experiment moeten ten minste  de grondrechten en fundamentele beginselen van procesrecht worden  gewaarborgd (artikel 1, vierde lid). Daarom zijn de artikelen  19–22b, 25–30 Rv en de artikelen  4, 5, 7, 12 en 13

Wet RO uitgesloten van de mogelijkheid van afwijking (artikel 1, eerste lid, onder a en d van het wetsvoorstel). Daarnaast zijn die beginselen ook expliciet  en niet-limitatief opgesomd in artikel 1, vierde lid, van het wetsvoorstel. Ten slotte is in artikel 1, vijfde  lid, opgenomen dat niet afgeweken  mag worden  van verdragsbepalingen, waartoe  in ieder geval artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) behoort.  Artikel 6 EVRM over het recht op een eerlijke proces staat aan de basis van die fundamentele beginselen van procesrecht.  De Hoge Raad heeft in zijn reactie op de consultatie van het conceptwetsvoorstel terecht opgemerkt dat de grondrechten en de fundamentele beginselen van procesrecht uit het vierde lid naar huidig recht geen absoluut karakter hebben. De bedoeling van artikel 1, vierde lid, is het belang van deze beginselen en grondrechten te benadrukken. Juist door de ruime bandbreedte van de afwijkingsmogelijkheid is die waarborg nodig  voor het respecteren van de fundamenten van de rechtspraak. Maar ook in dit wetsvoorstel hebben die rechten en beginselen geen absoluut karakter. Zij kunnen immers  botsen, zoals het beginsel  van openbaarheid van rechtspraak en het recht op privacybescherming, waarbij de rechter bepaalt welk recht prevaleert. Daarom ook moeten de experimenten tevens de reeds bestaande wettelijke afwijkingen van de fundamentele beginselen onverlet laten. Dat is opgenomen aan het slot van artikel 1, vierde lid. Enkele van de in het eerste lid uitgezonderde artikelen  bevatten immers  een wettelijke uitzondering op sommige beginselen, zoals het reeds genoemde voorbeeld van het beginsel  van openbaarheid van de zittingen terwijl bepaalde zittingen achter gesloten  deuren kunnen worden  gehouden (artikelen  121 Grondwet, 27 Rv en 4 Wet RO).

In de aanhef van het vierde lid is tot uitdrukking gebracht dat de opsomming van de fundamentele beginselen geen volledigheid suggereert. Dat kan ook afhankelijk  zijn van de aard van het experiment (bijvoorbeeld het recht op familieen gezinsleven bij echtscheiding). Daarom moet bij elk experiment zorgvuldig worden  afgewogen of het raakt aan grondrechten en fundamentele beginselen en welke dat in dat geval zijn.

Het beginsel  van hoor en wederhoor vormt het fundament van elke rechtszaak (artikel 19 Rv). Hoe een experiment ook wordt vormgegeven,

de rechter zal altijd  de partijen  in de gelegenheid moeten stellen het eigen verhaal te doen en te reageren op elkaars standpunten en bewijzen.  Alles wat partijen  relevant  vinden  voor een goed begrip van de zaak door de rechter, moeten zij binnen de kaders van de procedure ter kennis van de rechter kunnen brengen. In de huidige wijze van procesvoering gebeurt dat doorgaans  eerst schriftelijk in een dagvaarding of verzoekschrift, respectievelijk in een verweerschrift (met uitzondering van het verweer  in kantonen kortgedingprocedures) en vervolgens mondeling op een

zitting.  Wanneer er in een experiment bijvoorbeeld wordt onderzocht of deze procesvoering op andere wijze – informeler – vormgegeven kan worden, dan is dat mogelijk zo lang er hoor en wederhoor plaatsvindt. Het beginsel  van hoor en wederhoor omvat ook het beginsel  van gelijke behandeling van partijen, namelijk  het recht van partijen  om in gelijke mate gehoord  te worden  en om kennis te kunnen nemen van hetgeen de wederpartij in de procedure naar voren brengt.  Een partij  kan enkel kennisnemen van het standpunt van de wederpartij zoals dat op de zitting wordt verwoord, als zij daarvoor behoorlijk is opgeroepen. Pas als

daaraan is voldaan  en een partij  vervolgens verstek laat gaan, verspeelt  zij haar recht op hoor en wederhoor (en kan zij alleen nog in verzet komen tegen het verstekvonnis).

De experimenten mogen niets afdoen aan het fundamentele recht op een eerlijke berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter (artikel 12 Wet RO). Dat betekent bijvoorbeeld dat ook in experimentele procedures de rechter zich niet mag inlaten  met een van de partijen  of een van de advocaten afzonderlijk over het aanhangige geschil. Ook in de experimenten blijft de rechter altijd  degene die uiteindelijk een vonnis  of beschikking kan wijzen als het geschil niet op minnelijke wijze kan worden opgelost.  Partijen kunnen in een procedure altijd  aanspraak maken op een oordeel  van de rechter (artikel 26 Rv). De behoefte aan experimenten wordt onder andere ingegeven  door de wens om te komen tot procedures die ertoe bijdragen dat het conflict niet verder op de spits wordt gedreven, zodat de weg vrij is om een schikking  te beproeven. De rechter heeft ook

in experimenten doorzettingsmacht om uiteindelijk uitspraak  te doen. Dit is het verschil tussen de rechter en alternatieve vormen  van geschiloplossing, zoals mediation. Het wetsvoorstel strekt niet tot het denatureren van de rol van de rechter. Zijn functie  als magistraat met de daarbij behorende boven de partijen  staande positie,  moet bewaard blijven. Deze positie  geeft de rechter het aanzien dat hij nodig  heeft om recht te spreken. Die autoriteit van de rechter moet bovendien worden  ingezet waar die het meest effectief  is: bij juridische geschillen.  De Grondwet (artikel 112) bepaalt immers  dat aan de rechterlijke macht de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen is opgedragen. Ook in experimenten blijft daarom het juridische geschil centraal staan, hoe informeel de procedure ook wordt ingeleid en gevoerd. Voor niet-juridische geschillen of een niet-juridische aanpak zijn er andere trajecten en andere hulpverleners, zoals buurtbemiddelaars, sociaal werkers en therapeuten.

In artikel 1, vierde lid, onder d, van het wetsvoorstel is opgenomen dat elk experiment het beginsel  van openbaarheid van rechtspraak dient te waarborgen. Onder dit beginsel  vallen de openbare  behandeling van de zaak (artikelen  121 Grondwet, 27 Rv en 4 Wet RO) en de openbaarheid van de uitspraak  (artikelen  121 Grondwet, 29 Rv en 5, eerste lid, Wet RO). Die worden  niet verder beperkt dan in de artikelen  27–29, 803 en 818 Rv. Ook als de rechter in het kader van een experiment in een buurthuis zitting houdt,  is dit een openbare  zitting.  De openbaarheid kan juist bevorderd worden  door het laagdrempelige karakter van die locatie, wat meer mensen ertoe kan bewegen  een zitting  bij te wonen.  De openbaarheid kan dan in alle opzichten  haar rol vervullen: ze bevordert de publieke  controle op de rechtspraak en geeft gelegenheid tot informatieverschaffing aan het publiek. Het desbetreffende experiment kan dan ook aantonen  of het ter plaatse houden van een zitting  bevorderlijk is voor het oplossen  van het geschil of juist niet. Mogelijk blijkt  dat enige fysieke afstand tot de plaats waar het geschil zich afspeelt en de neutrale  omgeving juist bevorderlijk is om partijen  weer nader tot elkaar te brengen. Dit is iets wat een experiment kan uitwijzen.

Ook moet de uitspraak  behoorlijk gemotiveerd zijn, om de uitspraak controleerbaar te maken en te kunnen beoordelen of het instellen  van een rechtsmiddel (hoger beroep of cassatie) zin heeft (artikelen  121 Grondwet en 5 Wet RO). Verder is van belang dat een veroordelend vonnis  executabel is, desnoods  met behulp van de sterke arm. Dat betekent onder andere dat degene die in het ongelijk is gesteld, moet weten wat hem wordt opgedragen.

De experimenten moeten het fundamentele recht op toegang  tot de rechter waarborgen (artikel 17 Grondwet). Ze kunnen helpen om te onderzoeken  hoe de toegang  tot de rechter kan worden  verbeterd, bijvoorbeeld door het starten van een procedure informeler te maken en door meer maatwerkprocedures te bieden, zoals de procedure voor eenvoudige handelsgeschillen (zie hieronder paragraaf  6.1). Uiteraard blijft het beginsel  van toepassing dat de procedure binnen een redelijke termijn moet worden  afgewikkeld (artikel 20 Rv). Snelle afhandeling van een geschil is immers  een van de doelstellingen van het wetsvoorstel.

De experimenten moeten de beginselen in acht nemen die voortvloeien uit een goede procesorde.  De beginselen van een goede procesorde hebben vooral betrekking  op het efficiënte en vlotte  verloop  van de procedure, zonder nodeloze complicaties. Deze beginselen kunnen door de rechter worden  ingeroepen om de goede orde op de zitting  te handhaven. Het gaat er dan om hoe partijen  zich jegens elkaar opstellen. De beginselen van een goede procesorde worden  dan ook gezien als de procesrechtelijke variant van de beginselen van redelijkheid en billijkheid in het burgerlijk recht.

Tot slot is toegevoegd dat er in experimentele procedures altijd  een recht op hoger beroep en cassatie dient te zijn. Daarmee is tegemoet  gekomen aan de zorg van de adviescommissie BPR en de NOvA in de consultatie, dat het uitsluiten van rechtsmiddelen bij algemene  maatregel van bestuur in strijd zou kunnen zijn met de artikelen  17 en 118 van de Grondwet. De wet kent immers  hoger beroep en cassatie toe en daarvan kan op basis van artikel 17 Grondwet niet bij lagere regeling van worden  afgeweken. Bovendien  kunnen naast de evaluatie  ook hoger beroep en cassatie bijdragen aan de beoordeling van de vraag of het experiment geslaagd is, mits het tijdsverloop tot de uitspraak  in hoger beroep en cassatie valt binnen de duur van het experiment. Ook de mogelijkheid om in het kader van een experiment prejudiciële vragen te stellen over die experimentele procedure kan bijdragen aan het goed verloop  en aan de beoordeling van het experiment. Die mogelijkheid blijft dus bestaan, zoals ook door de NOvA is bepleit  in de consultatiereactie.

Van de hierboven besproken  algemene  voorschriften uit derde afdeling van de eerste titel van Boek 1 Rv waarvan  niet kan worden  afgeweken,  zijn de artikelen  23 en 24 Rv uitgezonderd. Artikel 23 bepaalt dat de rechter

niet meer mag toewijzen  dan partijen  hebben gevraagd  of gevorderd. Artikel 24 bevat het beginsel  van de partijautonomie en de lijdelijkheid van de rechter. Van beide artikelen  kan worden  afgeweken.  Zoals de adviescommissie BPR in haar reactie op de consultatie heeft uiteengezet, kadert de partijautonomie van artikel 24 het debat in de procedure op een formele  manier in. Doordat  de rechter uitsluitend mag beslissen op basis van (rechts)feiten die door de partijen  zijn gesteld, bestaat het risico dat de rechter voorbij gaat aan het werkelijke feitelijke  geschil. Onderzocht kan worden  hoe rechterlijke procedures meer gericht kunnen zijn op een effectieve  oplossing dan op een juridisch geformuleerde beslissing naar aanleiding van een juridische geformuleerde vordering of verzoek. De Raad voor de rechtspraak heeft dat in zijn advies omschreven als het «versterken  van de conflictoplossende werking van rechterlijke interventies». Om dit te kunnen bereiken, is wellicht een actievere rol van de rechter nodig  om het werkelijke feitelijke  geschil snel en effectief  bloot  te leggen, dat zo mogelijk op te lossen en anders alsnog vonnis  te wijzen. Hij kan dan bijvoorbeeld tot de conclusie  komen dat een geschil over een erfafscheiding in feite gaat over burenoverlast. Effectieve rechtspraak betekent dat de rechter in dat geval niet alleen iets zegt over de erfafscheiding, maar zo mogelijk ook een oplossing kan proberen te bereiken over de overlast,  hoewel  daarover geen vordering aan hem is voorgelegd. De uitzondering van de artikelen  23 en 24 is bedoeld  om in een experiment deze benadering van een geschil te realiseren.  Het is niet de bedoeling dat het loslaten van die artikelen  tot gevolg  heeft dat er zogenaamde  verrassingsuitspraken ontstaan.  Daarmee zijn beslissingen bedoeld  waarop  de betrokken partijen, gelet op het verloop  van het geding en het processuele debat, niet bedacht hoefden  te zijn en over de consequenties waarvan  zij zich niet hebben kunnen uitlaten (HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, LBF/Stichting Jan Rebel). De stellingen, feiten en de onderbouwing van de uitspraak  moeten wel tussen partijen en de rechter ter sprake zijn geweest voordat  op basis daarvan het vonnis wordt gewezen. Anders zou het recht op hoor en wederhoor geschonden worden. Wanneer de rechter tot de conclusie  komt dat het geschil welbeschouwd niet zozeer gaat over de erfafscheiding, maar over de overlast  die de buren ten algemene  veroorzaken,  moet die overlast  eerst met de partijen  zijn besproken,  alvorens  de rechter daarover een oordeel mag geven.

3.5. De verdragsrechtelijke en Europeesrechtelijke grenzen van experimenten

De experimenten respecteren de voor Nederland  geldende  verdragen die betrekking  hebben op het procesrecht.  Vanzelfsprekend behoort daartoe het in de vorige paragraaf  ook reeds genoemde  artikel 6 EVRM. Daarnaast zijn de meest relevante  verdragen:

  • Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Den Haag, 1 maart 1954, Trb. 1954, 40), dat onder andere betrekking  heeft op mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken en op de wijze van verkrijging van bewijs uit het buitenland;
  • Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Den Haag, 15 november 1965, Trb. 1966, 91);
  • Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken (Den Haag, 1 februari 1971, Trb. 1972, 144).
  • Internationaal verdrag voor de rechten van het kind (New York, 20 november 1989, Trb. 1990, 170).

De meeste verdragen op het gebied van het procesrecht zien niet zozeer op de wijze waarop  een procedure wordt gevoerd, zij hebben vooral betrekking  op de erkenning,  betekening en tenuitvoerlegging van het vonnis.  Deze zijn mogelijk relevant  wanneer bij algemene  maatregel van bestuur wordt afgeweken  van het Tweede Boek Rv. Daarnaast zijn er op het gebied van onderhoud, alimentatie en echtscheiding verdragen die zien op de wijze waarop  dergelijke procedures gevoerd  worden. Mochten er op deze terreinen experimenten komen, dan kunnen deze verdragen de reikwijdte van die experimenten begrenzen. Concreet betekent dit dat in de nota van toelichting bij de desbetreffende algemene  maatregel van bestuur expliciet  aandacht moet worden  geschonken aan de naleving van die verdragen.

Verder kan bij experiment niet worden  afgeweken  van de bepalingen uit EU-verordeningen en van de bijbehorende uitvoeringswetten en -regelingen. EU-verordeningen hebben rechtstreekse  werking en er kan in experimenten niet van worden  afgeweken.  Van uitvoeringswetten en -regelingen die soms artikelen  wijzigen uit een van de wetten  die in artikel 1, eerste en tweede lid, van dit wetsvoorstel zijn opgesomd, kan evenmin worden  afgeweken.  In dit verband  kunnen onder meer de volgende verordeningen worden  genoemd:

  • Verordening (EG) Nr. 1206/2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 174) en de bijbehorende Uitvoeringswet EG-bewijsverordening (Stb. 2004, 258);
  • Verordening (EG) Nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel IIbis, PbEU L 338) en de bijbehorende Uitvoeringswet internationale kinderbescherming (Stb. 2006, 123);
  • Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe  vorderingen (PbEU L 199) en de bijbehorende Uitvoeringswet verordening Europese procedure voor geringe vorderingen (Stb. 2009, 234);
  • Verordening (EG) nr. 1393/2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PbEU L 324) en de bijbehorende uitvoeringswet (Stb. 2009, 233);
  • Verordening (EU) Nr. 1215/2012 inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I herschikking, PbEU L 351) en de bijbehorende Uitvoeringswet EU-executieverordening en Verdrag van Lugano (Stb. 2014, 40);
  • Verordening (EU) nr. 655/2014 tot vaststelling procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PbEU L 189) en de bijbehorende Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen (Stb. 2016, 440).

Ten slotte zijn ook artikelen  waarin  dwingendrechtelijke bepalingen uit EU-richtlijnen zijn geïmplementeerd niet vatbaar voor afwijking bij experiment. Met name de volgende  richtlijnen hebben geleid tot aanpassing  van Rv, met vermelding van de artikelen  waarvan  in experimenten in beginsel  niet afgeweken  kan worden  (tenzij de richtlijn daarvoor beleidsruimte laat):

  • EG-Richtlijn 93/7/EEG van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat  zijn gebracht (PbEG 1993, L 74), en de implementatie ervan in titel 13 van Boek 3 Rv (Implementatiewet bescherming cultuurgoederen tegen illegale  uitvoer,  Stb. 1995, 145; artikelen 1008–1012 Rv);
  • Richtlijn nr. 2004/48/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectueleeigendomsrechten (PbEU L 195) en de implementatie ervan in titel 15 van Boek 3 Rv (Stb. 2007, 108; artikelen  1019–1019i Rv);
  • Richtlijn 2014/104/EU van het Europees parlement en de Raad van
  • 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal  recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PbEU L 349) en de Implementatiewet richtlijn privaatrechtelijke handhaving mededingingsrecht (Stb. 2017, 28; artikelen  44a, derde lid, 161a en 844–850 Rv);
  • Richtlijn 2016/943 van het Europees parlement en de Raad van 8 juni

2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig  verkrijgen, gebruiken en openbaar  maken daarvan (PbEU L 157) en de implementatie ervan in titel 15a van Boek 3 Rv (Stb. 2018, 369; artikelen  1019ia-1019ie).

Overigens worden  door deze richtlijnen niet alleen de artikelen  geraakt die zijn ingevoerd of gewijzigd ter uitvoering van deze richtlijnen. Ook van de artikelen  waarvan  aanpassing  niet nodig  was omdat ze al voorzien  in de regeling die in de richtlijn verplicht is gesteld, mag niet afgeweken

worden  in een experiment. Dit wordt steeds per algemene  maatregel van bestuur zorgvuldig beoordeeld. Dat geldt ook voor verplichtingen die uit jurisprudentie voortvloeien, zoals de toetsing door de rechter of algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten onredelijk bezwarend  zijn voor de consument, welke toets de rechter volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Hoge Raad ambtshalve moet uitvoeren.

3.6. De voorwaarden voor experimenten

Een experiment is een uitzonderingssituatie en is daarom in verschillende opzichten  beperkt. Ten eerste zijn experimenten naar hun aard beperkt in tijd (aanhef van artikel 1, eerste lid, zie ook de Aanwijzingen voor de regelgeving 2.41 en 2.42). Het proefondervindelijk in een experiment vaststellen  of een bepaalde wijze van procederen leidt tot meer eenvoud, snelheid,  effectiviteit en de-escalatie, is per definitie een tijdelijke aangelegenheid. Een experiment duurt maximaal drie jaar en in de algemene  maatregel van bestuur wordt de precieze lengte bepaald (artikel 2, eerste lid, onder a). Het is afhankelijk  van de aard en de omvang van het experiment of minder dan drie jaar volstaat om in de praktijk  te kunnen toetsen of de innovatieve wijze van procederen positieve effecten heeft. Alleen als de conclusie  na evaluatie  van het experiment luidt dat het positieve effecten heeft en in definitieve wetgeving dient te worden omgezet, kan het experiment worden  voortgezet  totdat die definitieve wetgeving in werking treedt (artikel 3, tweede lid). Desgewenst kan de regeling waarmee  geëxperimenteerd is, worden  aangepast bij omzetting in een definitief wetsvoorstel, zodat eventuele  negatieve  neveneffecten kunnen worden  ondervangen.

Experimenten moeten ten tweede beperkt in omvang zijn. De experimentenwet  bevat een delegatiegrondslag voor een regeling bij algemene maatregel van bestuur. Het bereik van de vast te stellen experimentele regeling dient zo scherp mogelijk te worden  afgebakend (Aanwijzingen voor de regelgeving 2.41, eerste lid, onder b). Daarom moet in elke algemene  maatregel van bestuur bepaald worden  op welke categorieën rechtzoekenden, procedures,  vorderingen of verzoeken het experiment betrekking  heeft en welke gerechten eraan deelnemen (artikel 2, eerste lid, onder b en d). Deze scherpe afbakening draagt eraan bij om achteraf zo goed mogelijk te kunnen beoordelen of de met het experiment beoogde doelstelling behaald is. De omvang van een experiment kan ook beperkt worden  door de uitvoering ervan aan één of een klein aantal gerechten (in de zin van artikel 2 van de Wet RO) op te dragen (artikel 2, eerste lid, onder d). Zo maakt het experimenteren met een procedure in een bepaald gerecht het mogelijk een vergelijking te maken met andere gerechten, waarin  de desbetreffende zaken volgens het reguliere procesrecht zijn gevoerd. Per experiment wordt bezien of één deelnemend gerecht voldoende is of dat er meer gerechten bij betrokken moeten worden.

Wat betreft  de beperking van een experiment tot één of een klein aantal gerechten in relatie tot het beginsel  van rechtsgelijkheid in de rechtspraak, zij hier opgemerkt dat enige mate van rechtsongelijkheid inherent  is aan het uitvoeren van experimenten in de procesvoering. Van belang is dat deze geringe  mate van rechtsongelijkheid binnen duidelijke en acceptabele grenzen blijft door de onverkorte toepassing van de fundamentele beginselen van procesrecht en van regels van internationaal en EU-recht. De NOvA wijst  er in de consultatiereactie op dat als partijen  kunnen kiezen uit verschillende relatief bevoegde rechters, dit verschil in behandeling kan leiden tot forum  shopping. Zij acht afwijkingen van de regels over de procesgang wel, maar afwijkingen van regels over de samenstelling van het gerecht of over de rechtskracht  en rechtsgevolgen van rechterlijke beslissingen niet toelaatbaar als ze zijn beperkt zijn tot een of enkele arrondissementen. Als er sprake is van een gerecht dat meedoet met het experiment en een gerecht dat niet meedoet en beide zijn bevoegd in een zaak, dan is forum  shopping mogelijk. Dat hoeft geen bezwaar te zijn. Forum shopping kan zowel leiden tot een toestroom van zaken naar de gerechten waar de experimentele procedure wordt gevoerd, als tot het wegvloeien van zaken van dergelijke gerechten.  Dat wordt dan in de evaluatie  van het desbetreffende experiment meegenomen. De eisende of verzoekende partijen  kan kiezen tussen de experimentele of de gewone procedure. De wederpartij die zich door die keuze benadeeld  acht, kan zich beroepen  op de hardheidsclausule van artikel 1, zesde lid. Er is altijd toegang  tot een eerlijk proces en tot een rechter die de zaak in behandeling neemt op een professionele, onafhankelijke wijze en met inachtneming  van alle beginselen die uit een goede procesorde voortvloeien. Daarvoor  zorgen alle waarborgen waarmee  dit wetsvoorstel en de voorbereiding van de algemene  maatregelen van bestuur zijn omgeven.

In elke algemene  maatregel van bestuur moet voorts worden  aangegeven van welke artikelen  uit de zes aangewezen wetten  wordt afgeweken  en op welke wijze dat gebeurt (artikel 2, eerste lid, onder c). Elke algemene maatregel van bestuur bevat de regels voor de desbetreffende experimentele  procedure voor zover het afwijkingen van de wet betreft.  Per artikel wordt bezien en toegelicht waarom de afwijking of aanvulling van de wet nodig  is. Daarnaast wordt gemotiveerd hoe het experiment de fundamentele beginselen van procesrecht en de internationale en EU-verplichtingen waarborgt. De algemene  maatregel van bestuur en de bijbehorende nota van toelichting moeten tezamen precies beschrijven hoe de experimentele procedure verloopt en wat er van partijen  en van de rechter wordt verwacht. Ook wordt er per experiment bezien of de experimentele procedureregels ook gelden als in de desbetreffende zaken hoger beroep en cassatie worden  ingesteld.

Verder is het van belang dat er ieder experiment grondig wordt geëvalueerd. Om de evaluatie  op tijd voor de afloop van het experiment afgerond te hebben (drie maanden  voor afloop van het experiment, artikel

3, eerste lid) en om de juiste informatie te verzamelen, moet de evaluatie al tijdens  het experiment plaatsvinden. Dat betekent dat bij de start van het experiment bekend moet zijn wie de evaluatie  gaat uitvoeren en op welke wijze dat zal gebeuren. Voor de deelnemende gerechten moet vanaf het begin duidelijk zijn welke informatie over de experimenten verzameld moet worden. Daarom is in artikel 2, eerste lid, onder e, opgenomen dat in de algemene  maatregel van bestuur ook regels worden  gegeven over de methode en criteria  aan de hand waarvan  het experiment wordt geëvalueerd. Zo zal worden  bepaald welke gegevens tijdens  de duur van het experiment door welk gerecht of welke gerechten moeten worden geregistreerd en verzameld en op welke wijze dat moet gebeuren. De evaluatie  zal worden  uitgevoerd door een wetenschappelijke of anderszins onafhankelijke onderzoeksinstantie of groep onderzoekers.  Indien een experiment bij meer dan één gerecht wordt uitgevoerd, moeten de onderzoekers  ervoor  zorgen dat die gerechten uniforme protocollen voor de dataverzameling en rapportage gebruiken.  Om na te gaan of een experiment ook in dit opzicht goed is opgezet, zal de Toetsingscommissie (zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6) zich ook over deze aspecten van de algemene  maatregel van bestuur buigen.  Verder is in artikel 2, tweede lid, een rechtsgrondslag opgenomen voor een algemene maatregel van bestuur die regels kan geven over de evaluatie.  Zo nodig kunnen daarin algemene  regels gegeven worden  die voor alle experimenten van belang zijn.

De toelichting bij de algemene  maatregel van bestuur zal ook moeten aangeven wat de verwachtingen zijn van het experiment. Er wordt een experiment uitgevoerd om proefondervindelijk vast te stellen welke aanpassingen nodig  zijn om het gewenste  doel te bereiken. De alternatieve procedure is gebaseerd op bepaalde verwachtingen dat het desbetreffende experiment tot zinvolle  resultaten kan leiden. Die verwachtingen moeten duidelijk zijn. Vervolgens kan aan de hand van de criteria  voor het desbetreffende experiment worden  bepaald of het experiment een positief resultaat heeft behaald en in definitieve wetgeving kan worden  omgezet. De criteria  moeten zodanig helder geformuleerd worden  dat na afloop duidelijk meetbaar  is of het experiment aan de verwachtingen heeft voldaan  en omgezet kan worden in definitieve wetgeving. Overigens kan ook besloten  worden  de regeling bij omzetting in definitieve wetgeving zodanig aan te passen dat eventuele negatieve  (neven)effecten die uit het experiment zijn gebleken, worden  ondervangen.

In overeenstemming met hetgeen hierover  in het regeerakkoord is opgenomen, is er bij alle innovaties oog voor de consequenties voor de keten, waaronder de werkdruk  voor de rechterlijke macht, maar ook de rol van de advocaat in een procedure en de betrokkenheid van deurwaarders bij bepaalde procedures,  zoals incassozaken.

4. De systematiek van de wet  en de opzet van de algemene maatregelen van bestuur

4.1. Verhouding tot het reguliere procesrecht

De regels die gelden in de experimenten en die afwijken  van de in het wetsvoorstel genoemde  wetten,  worden  vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (besluiten). Ze vervangen  op onderdelen het reguliere procesrecht in het desbetreffende experiment. De huidige structuur waarbij Rv de hoofdlijnen van het procesrecht aangeeft en de procesreglementen van de rechtsprekende instanties die verdere praktische en technische  invulling daaraan geven, blijft in het kader van de experimenten gehandhaafd. Het reguliere (proces-)recht blijft het uitgangspunt en de algemene  maatregel van bestuur bevat enkel de afwijkingen (zie artikel 1, derde lid). Voor elk afzonderlijk experiment kan het desbetreffende gerecht (of de gerechten)  waar het experiment wordt

uitgevoerd, zo nodig  een (gezamenlijk) procesreglement opstellen. Daarin staat de nadere uitwerking van praktische en technische  details die niet in de algemene  maatregel van bestuur opgenomen hoeven te worden. Voorbeelden zijn het berichtenverkeer tussen partijen  en de rechtbank,  de wijze waarop  de zittingsdatum wordt bepaald of een eis kan worden gewijzigd of vermeerderd en hoe om te gaan met verzoeken tot uitstel voor het verrichten van een proceshandeling. Deze procesreglementen zullen in de Staatscourant en op de website van de rechtspraak worden gepubliceerd, net zoals nu het geval is. Daarmee blijft zoveel mogelijk de huidige structuur van de regelgeving voor het procesrecht gehandhaafd, waarmee  de transparantie en eenvormigheid van de regels en de rechtszekerheid en rechtseenheid worden  gewaarborgd.

Het is overigens niet de bedoeling van dit wetsvoorstel dat voortaan elke wijziging van het procesrecht eerst via een experiment wordt uitgeprobeerd. Wanneer duidelijk is dat wetswijziging nodig  is en wat er gewijzigd moet worden  om het gestelde probleem op te lossen of het gestelde doel te behalen, is er geen experiment nodig. Daarom zal er in de toelichting

bij iedere algemene  maatregel van bestuur gemotiveerd moeten worden waarom in het desbetreffende geval is gekozen voor een experiment en niet voor een wetswijziging. Uitgelegd moet worden  welke obstakels in het procesrecht aanleiding hebben gegeven voor het experiment. Er kan verder aangegeven worden  welke alternatieven zijn overwogen en waarom voor het uiteindelijke experiment is gekozen. Er is in het experiment gekozen voor een bepaalde aanpak en daarbij is van belang toe te lichten  wat de verwachtingen zijn bij die aanpak, maar ook waarom er niet voldoende zekerheid is om het in een wetsvoorstel neer te leggen. Elke algemene  maatregel van bestuur bepaalt op welke wijze wordt afgeweken  van de wet (artikel 2, eerste lid, onder c). Dat betekent onder andere dat de algemene  maatregel van bestuur bepaalt of het desbetreffende experiment dwingend, facultatief of vrijwillig van aard is. Bij een dwingend experiment moeten partijen  de experimentele procedure volgen die op hun zaak van toepassing is. Als de zaak langs de reguliere weg aanhangig  wordt gemaakt terwijl een dwingend voorgeschreven experimentele procedure van toepassing is, zal de rechter de eiser of verzoeker niet-ontvankelijk verklaren  in zijn vordering of verzoek. Als de experimentele procedure facultatief is, bestaat die naast de reguliere huidige procedure en bepaalt de eiser of verzoeker welke procedure hij volgt.  De verweerder moet deze keuze volgen,  tenzij hij zich er voor de rechter op beroept dat de toepassing van de experimentele bepalingen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en de rechter het daarmee eens is (artikel 1, zesde lid). Honoreert de rechter dat beroep, dan kunnen partijen  overstappen op de reguliere procedure van Rv en bepaalt de rechter of die overstap naadloos  is of dat de zaak opnieuw aanhangig gemaakt moet worden, bijvoorbeeld omdat er eerst een dagvaarding of verzoekschrift en verweerschrift nodig  is. Bovendien  is het denkbaar dat een experiment, net als bij de huidige artikel 96-pilots,  vrijwillig is en vereist dat beide partijen  instemmen met het volgen  van de experimentele  procedure. Dit kan geschikt zijn voor procedures die nu niet onder artikel 96 kunnen vallen omdat ze rechtsgevolgen betreffen die niet ter vrije beschikking van partijen  staan (zie hierboven paragraaf  1). Per experiment wordt bepaald wat de meest geschikte vorm  is. In beginsel  is het uitgangspunt dat de experimenten dwingend van aard zijn. Verplichte deelname  aan het experiment bevordert dat zoveel mogelijk een dwarsdoorsnede van alle mogelijkheden in de desbetreffende soort procedure voor de rechter komt. Dan kan na afloop van het experiment in de evaluatie  objectief worden  beoordeeld of de onderzochte  wijze van procesvoering voldoende positieve effecten had en in definitieve wetgeving omgezet kan worden.

In de algemene  maatregelen van bestuur wordt ook telkens een overgangsrechtelijke bepaling opgenomen. Daarvoor  is een rechtsgrondslag in de wet opgenomen (artikel 2, eerste lid, onder f). Die regelt enerzijds welk recht van toepassing is op een zaak die aanhangig  is op het moment waarop  een experimentele procedure in werking treedt die van toepassing zou kunnen zijn op de zaak. Anderzijds  regelt het overgangsrecht wat er met een zaak gebeurt die aanhangig  is gemaakt onder het experimentele regime,  maar die de geldingsduur van de experimentele regeling overschrijdt. Dit overgangsrecht zal in beginsel  hetzelfde zijn als gebruikelijk bij wetswijzigingen in het burgerlijk procesrecht.  Dat betekent dat de nieuwe  regelgeving van toepassing zal zijn op procedures die aanhangig  zijn gemaakt vanaf de eerste tot en met de laatste dag van de werkingsduur van de algemene  maatregel van bestuur. Een nieuwe experimentele procesgang wordt dus doorgaans  niet van toepassing op een onder het reguliere recht aanhangig  gemaakte zaak. En een procedure die op basis van een experiment is aangevangen op uiterlijk de laatste dag waarop  de algemene  maatregel voor dat experiment nog werking heeft, wordt doorgaans  volgens de regels van dat experiment afgerond. Het is immers  niet wenselijk  om tijdens  een procedure op andere regels te moeten overstappen. Ook kan de experimentele procedure zozeer één geheel zijn, dat halverwege instappen geen recht doet aan de doelstelling van het experiment. Dit is bijvoorbeeld het geval als een experiment de bedoeling heeft te voorkomen dat partijen  zich bij voorbaat ingraven in hun positie  en het experiment daarom niet begint met het uitbrengen van een dagvaarding of verzoekschrift. Het is bij dit type experiment niet passend als alsnog wordt ingestapt  nadat een dergelijk stuk is uitgebracht. Dit is ook in lijn met de wensen die de Raad voor de rechtspraak en de NOvA in hun reacties op de consultatie over het conceptwetsvoorstel naar voren hebben gebracht.  De Hoge Raad heeft in de consultatie naar voren gebracht dat het denkbaar is dat er in de toekomst behoefte bestaat om een zaak die volgens de reguliere procedure aanhangig  is gemaakt, wel verder te behandelen volgens de van toepassing zijnde experimentele procedure, bijvoorbeeld als de desbetreffende algemene  maatregel van bestuur in werking is getreden nadat de reguliere procedure is gestart. Dit idee is te zijner tijd per experiment te overwegen. Mocht het in een concreet experiment passend en nuttig zijn om de mogelijkheid te bieden daarop over te stappen vanuit  een reeds gestarte reguliere procedure, dan kan dat door middel van overgangsrecht in de algemene  maatregel van bestuur bij dat experiment geregeld worden. Daarvoor  is in artikel 2, eerste lid, onder f, een rechtsgrondslag opgenomen. Alleen wanneer de noodremprocedure uit artikel 4 van het wetsvoorstel wordt toegepast,  gaan alle lopende  zaken in het experiment met onmiddellijke ingang over naar het reguliere procesrecht (artikel 4, tweede en derde lid). Die noodremprocedure houdt in dat een experiment met onmiddellijke ingang wordt ingetrokken omdat blijkt  dat het experiment tot zodanige onbedoelde gevolgen  leidt, dat voortzetting van het belang van een goede rechtspleging in het algemeen  ernstig schaadt.

Zijn de experimentele regels van toepassing in verschillende instanties (eerst aanleg, hoger beroep en eventueel  cassatie), dan regelt het overgangsrecht dat enkel de instantie waarin  de zaak zicht bevindt, volgens de experimentele regels wordt afgerond. De NOvA bepleit  dat als de experimentele procedure ook in hoger beroep en cassatie geldt, de rechtsgang wel tot en met de laatste instantie volgens de experimentele procedure moet kunnen worden  gevoerd. Het is echter ongewenst dat die regels nog enkele jaren blijven gelden terwijl wellicht inmiddels is geconcludeerd dat de innovatieve procedure onvoldoende positieve effecten heeft en niet in wetgeving wordt omgezet. Ook wanneer een beëindigde zaak in een experimentele procedure na stopzetting van het experiment wordt heropend of voortgezet, bijvoorbeeld bij verzet of herroeping, wordt deze zaak volgens het reguliere recht behandeld. Voor experimenten die in wetgeving worden  omgezet, is het overgangsrecht niet relevant, omdat het experiment wordt verlengd totdat het in wetgeving is omgezet (artikel 3, tweede lid). Voor zover het wel relevant  is (bijvoorbeeld omdat de wettelijke regeling iets afwijkt  van het experiment), zal de wetgeving in overgangsrecht voorzien.  De experimentele  procesregels in een instantie blijven van toepassing tot en met het eindvonnis in die instantie, ook als dat nog langer op zich laat wachten, bijvoorbeeld ten gevolge  van een tussenvonnis. Een zaak is aanhangig  vanaf de dag waarop  het exploot van dagvaarding is betekend bij de verweerder respectievelijk het verzoekschrift bij het gerecht is ingediend.

4.2. De voorbereiding van een experiment en de Toetsingscommissie experimenten rechtspleging

Ter voorbereiding van een algemene  maatregel van bestuur die voor een experiment worden  opgesteld,  wordt het onderwerp voor het experiment in samenspraak  tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Raad voor de rechtspraak bepaald. Ook voorstellen uit de hele rechtspraktijk  kunnen worden  meegenomen. Bij het opstellen van de algemene maatregel van bestuur worden  de adviescommissie BPR en de relevante ketenpartijen betrokken,  zoals de Nederlandse Orde van Advocaten  en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, afhankelijk van de inhoud  van het voorstel. Daarnaast heeft de Raad voor de rechtspraak zijn gebruikelijke adviesrecht volgens artikel 95 Wet RO. Over de ontwerpen voor de algemene  maatregelen van bestuur wordt via internet  geconsulteerd. Op die manier is voorzien  in de maatschappelijke discussie die de NOvA wenst over nut, noodzaak en wenselijkheid van specifieke experimenten. Ook HiiL heeft in haar consultatiereactie terecht gewezen op het belang van een goede voorbereiding en onderbouwing van de experimenten.

Na afronding van deze overleggen en consultaties over het ontwerp voor de algemene  maatregel van bestuur, wordt dat ontwerp aan de Toetsingscommissie experimenten rechtspleging voorgelegd (artikel 6). De Toetsingscommissie zal multidisciplinair zijn ingericht en de leden zullen het voornemen voor het experiment op onafhankelijke wijze vanuit  hun juridische, sociaalwetenschappelijke en economische deskundigheid beoordelen. Ze toetsen of het experiment voldoet aan alle eisen van de wet en van de algemene  maatregel van bestuur uit artikel 2, tweede lid,

die nadere eisen aan de opzet, inhoud  en evaluatie  van experimenten stelt (artikel 6, eerste lid). De toetsingscommissie overziet het totaalbeeld. Zo wordt gewaarborgd dat alleen zorgvuldig voorbereide en weloverwogen experimenten worden  uitgevoerd. De multidisciplinaire inrichting van de commissie onderscheidt haar van andere bestaande adviescommissies zoals de adviescommissie voor burgerlijk procesrecht.  Het voorstel zal ten eerste juridisch worden  beoordeeld. Daarbij beoordeelt de commissie en het desbetreffende deskundige lid (of leden) of het experiment met voldoende waarborgen is omgeven  en of de grenzen en voorwaarden die het wetsvoorstel en de nadere regels stellen, zijn gerespecteerd.  Ze kijken kritisch  naar de omschrijving van de problematiek, de gekozen oplossing en de vraag of het experiment past binnen de doelstelling van de wet en van het desbetreffende experiment. Ten tweede zal door de deskundige(n) in de commissie vanuit  sociaalwetenschappelijk oogpunt beoordeeld worden  of het experiment de verwachte gedragseffecten zal hebben, mede bezien vanuit  hetgeen in de wetenschappelijke literatuur bekend is over de gevolgen  van prikkels voor het gedrag van burgers en instellingen. En ten slotte zal vanuit  economische deskundigheid bezien worden wat de verwachte opbrengst van het experiment voor de maatschappij is en of de procedure een efficiënte procedure oplevert, mede vanuit kostenoverwegingen.

Van het advies van de Toetsingscommissie zal alleen op zwaarwegende gronden  kunnen worden  afgeweken  (artikel 6, tweede lid). Dat kan ook betekenen dat een experiment wordt aangepast naar aanleiding van het advies van de commissie.

Na een goedkeurend advies of na aanpassing  van het voorstel in overeenstemming met het advies van de commissie, zal het voorstel voor de algemene  maatregel van bestuur gedurende vier weken aan de beide Kamers der Staten-Generaal worden  voorgehangen (artikel 1, zevende lid), zodat ook daar desgewenst  discussie kan plaatsvinden over het experiment. Na die voorhang wordt een ontwerpbesluit voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd. Afhankelijk van het advies kan het nog worden  aangepast en vervolgens wordt het gepubliceerd in het Staatsblad  en kan het in werking treden. Dan kan het experiment van start gaan, als ook de rechtspraak de voorbereidingen ervan heeft afgerond. Zo zullen er een procesreglement voor het experiment geschreven  moeten worden  en organisatorische voorbereidingen getroffen moeten worden  zoals de inrichting en bemensing van de kamer van het gerecht die het experiment gaat uitvoeren. Vanzelfsprekend zullen die voorbereidingen zoveel mogelijk tijdig  worden  getroffen, zodat het experiment zo snel mogelijk na afronding van het wetgevingsproces van start kan gaan.

5. De experimenten

Er kan op vele onderdelen van het procesrecht gedacht worden  aan innovatie: het op informelere wijze, bijvoorbeeld door een eenvoudig formulier aanhangig  maken van een procedure, de uitwisseling van informatie en standpunten tussen partijen  informeler laten verlopen,  het vereenvoudigen van bewijsverrichtingen, een verruiming van de mogelijkheid in persoon  te procederen,  het instellen  van incidentele vorderingen herzien en het combineren van mediation en rechtspraak. Ook op het terrein  van het hoger beroep kan nagedacht  worden  over mogelijkheden om de procedure efficiënter te maken. Bijvoorbeeld kan in een experiment worden  onderzocht hoe en wanneer in de procedure de grieven  tegen het vonnis  in eerste aanleg opgesteld moeten worden.

In deze paragraaf  zijn drie voorbeelden voor experimenten uitgewerkt, die op basis van dit wetsvoorstel zouden kunnen worden  uitgevoerd. Welke experimenten na afronding van het wetsvoorstel zullen worden  uitgevoerd, is nog onderwerp van gedachtevorming. Hierover  zal verder overleg met de rechtspraktijk plaatsvinden. Het doel van dit hoofdstuk is om aan te geven hoe experimenten onder dit wetsvoorstel vormgegeven zouden kunnen worden. Het gaat om een procedure voor eenvoudige handelsgeschillen, het aan een rechtbank toevoegen  van een deskundig lid en een alternatieve scheidingsprocedure, die hieronder nader worden omschreven.

5.1. De procedure voor eenvoudige handelsgeschillen

Ter voorbereiding van het wetgevingsprogramma ter verbetering van het burgerlijk procesrecht en van dit wetsvoorstel is gesproken  met de praktijk over de vraag waar men op het terrein  van het procesrecht behoefte aan heeft. Vanuit de ondernemerskant werd benadrukt dat ondernemingen in het midden en kleinbedrijf (MKB) met name behoefte hebben aan een procedure waarin  sneller een finale beslissing verkregen kan worden  in geschillen tussen MKB-ondernemers, zodat men weer verder kan met zaken doen. In het handelsverkeer tussen MKB-ondernemers worden geschillen over het algemeen  door de ondernemers zelf in der minne opgelost.  Het goed houden van de handelsrelatie is daarbij een belangrijke drijfveer. Het lukt niet altijd  om een oplossing te vinden  en dan is er een rechterlijk oordeel  nodig. In die gevallen  gaat het ondernemers er vooral om op korte termijn een uitspraak  te verkrijgen en niet per se om gelijk te krijgen.  Er is behoefte aan een meer feitelijke  en een minder complexe en minder juridische aanpak van eenvoudige geschillen.

Om aan deze wens tegemoet  te komen, zou bijvoorbeeld kunnen worden voorzien  in een snelle, eenvoudige procedure, waarbinnen de rechter in samenspraak  met partijen  probeert het voorliggende geschil zo goed mogelijk en finaal op te lossen. In het huidige systeem hebben ondernemers de keuze tussen een bodemprocedure (eventueel  voor de kantonrechter) of een kort geding.  Beide procedures voldoen in hun huidige vorm  deels aan de hiervoor beschreven  behoefte van MKB-ondernemers. Zo is het kort geding (artikelen  254–259 Rv) een korte en informele procedure die ervoor  zorgt dat partijen  snel een voorlopig oordeel  van de rechter hebben over hun geschil. Doordat  het bewijsrecht niet van toepassing is op het kort geding,  is de procedure vrij eenvoudig ingericht.4 Tegelijkertijd vindt het kort geding hierin  ook haar beperking. Omdat het kort geding als doel heeft tot een voorlopig oordeel  over het geschil tussen partijen  te komen, kan uitgebreide bewijslevering achterwege blijven. De behoefte van ondernemers is echter juist het verkrijgen van een finale beslissing en dat betekent dat – zeker in complexere zaken – bewijslevering nodig  is. Daarnaast vormt het spoedeisend belang een drempel  en is het verkrijgen van een declaratoire of constitutieve uitspraak  in kort geding (zoals een verklaring voor recht of toewijzing van een vordering tot vernietiging van een overeenkomst) niet mogelijk volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.5 Verder zijn rechters terughoudend met het toewijzen  van geldvorderingen in kort geding,  vanwege  het risico dat het geld niet terugbetaald kan worden  als na het kort geding een bodemprocedure wordt gestart en de uitspraak  in kort geding geen stand houdt.

De bodemprocedure in de huidige vorm  biedt partijen  de ruimte  voor nadere bewijslevering, zodat ook zaken die meer onderzoek vergen op die manier beslecht kunnen worden. De beslissing in de procedure is finaal (los van de mogelijkheid van hoger beroep) en kan een verklaring voor recht bevatten of een toewijzing bij voorraad van een geldvordering. Het nadeel is dat een bodemprocedure lang kan duren en complex kan worden, bijvoorbeeld als partijen  over en weer incidentele vorderingen instellen  of vragen om (uitgebreide) nadere bewijslevering. De kantonprocedure is doorgaans  al een eenvoudigere procedure, maar die is beperkt tot vorderingen van maximaal € 25.000. Daarnaast behoren  enkel bepaalde arbeidsrechtelijke en consumentenzaken tot de bevoegdheid van de kantonrechter. De bodemprocedure en de kortgedingprocedure voorzien  dus allebei deels in de hierboven genoemde  behoefte van het midden en kleinbedrijf: enerzijds de snelheid  van een kort geding, anderzijds de finaliteit en (zo nodig) grondige behandeling van een bodemprocedure.

Gelet op het voorgaande zou een experiment kunnen worden  gestart met een procedure voor eenvoudige handelsgeschillen die buiten de bevoegdheid van de kantonrechter vallen, die de voordelen van het kort geding en de bodemprocedure in zich verenigt.6 In deze procedure zal een (alleensprekende) actieve rechter erop gericht zijn om een snelle en praktische oplossing te bereiken voor een handelsgeschil tussen (MKB-)ondernemers die hun goede handelsrelatie graag willen voortzetten. Gelet op het doel van de procedure en de doelstelling van een finale beslissing,  is toepassing van het bewijsrecht noodzakelijk. Dit moet zonder complicaties tijdens  de procedure kunnen gaan. De eiser moet daarom meteen bij de indiening van de zaak zijn bewijsmiddelen overleggen en verweerder moet dat doen bij zijn verweer.  Daarna is er geen gelegenheid meer voor het overleggen van ander bewijs. Er is ook geen gelegenheid voor getuigenverhoor of deskundigenbericht. Als dergelijke bewijsverrichtingen alsnog nodig  zijn, is de zaak niet geschikt voor deze procedure. Als tijdens  de procedure blijkt  dat getuigenbewijs of deskundigenbericht noodzakelijk  is, zal de rechter de zaak verwijzen  naar een bodemprocedure. Dit voorkomt dat de procedure wordt vertraagd. Een procedure die voldoet aan de in deze alinea genoemde  criteria,  zou ook kunnen worden  gebruikt voor niet-spoedeisende zaken. Hierbij  wordt opgemerkt dat de snelheid  waarmee  zaken in kort geding worden afgedaan, niet in dezelfde mate gehandhaafd kan blijven in de procedure voor eenvoudige handelsgeschillen als de spoedeisendheid geen criterium is.

Om het voor ondernemers makkelijker te maken een geschil voor te leggen aan de rechter, is denkbaar de procedure te starten met een aanmeldformulier dat door eiser wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank.  Dat kan eventueel  worden  gevolgd door een reactieformulier van de zijde van verweerder. Het invullen van dergelijke formulieren helpt partijen  om hun kant van de zaak goed voor het voetlicht te brengen  en hoofd en bijzaken te scheiden. Dergelijke formulieren geven ook de rechter vroeg in de procedure de benodigde informatie om te kunnen beoordelen of het geschil zich leent voor een versnelde  behandeling volgens de experimentele procedure en, zo ja, welke vervolgstappen nodig zijn voor een goede en snelle afhandeling van het geschil.

In het kader van de behoefte van ondernemers aan procedures die een meer oplossingsgerichte en feitelijke  dan een juridische aanpak kennen, zou daarnaast kunnen worden  gedacht aan het afschaffen van de verplichte procesvertegenwoordiging voor de gedaagde (zoals nu al het geval is in kort geding) of voor beide partijen. Ook het in een vroeg stadium van de procedure plannen  van een datum voor de zitting  kan bijdragen aan snelheid  in de procedure. De gedaagde kan in dat geval bijvoorbeeld schriftelijk reageren tussen het moment dat de zitting  wordt gepland  en het moment dat de zitting  daadwerkelijk plaatsvindt. Verder kan gedacht worden  aan het verkorten  van bepaalde termijnen, bijvoorbeeld de termijn voor het voeren van verweer  of de termijn waarop  de zitting  wordt gepland. Daarbij dient zowel de wederpartij als de rechter genoeg tijd te krijgen  om de ingediende stukken te bestuderen en daarop (zo nodig  schriftelijk) te reageren.

Vanwege de wens van ondernemers om een finale oplossing voor hun geschil te krijgen  is denkbaar dat de beslissing in deze procedure geen voorlopig karakter heeft. Daardoor  kunnen er ook declaratoire en constitutieve uitspraken  gedaan worden  en kan de uitspraak  gezag van gewijsde krijgen.

Verder zal gekeken moeten worden  tot welke zaken de procedure beperkt wordt.  Gezien de wens van een minder gejuridiseerde en meer feitelijke procedure, kan worden  gedacht aan zaken die geen ingewikkelde rechtsvraag betreffen of zaken die geen uitgebreide bewijsvoering vergen om de feiten op tafel te kunnen krijgen.  Omdat het gaat om procedures tussen ondernemers zou het om het instellen  van een geldvordering boven de € 25.000 kunnen gaan. Overwogen kan worden  de rechter in deze procedure bevoegd te maken voor die zaken waar ondernemers vaak mee te maken krijgen,  bijvoorbeeld geschillen die voortvloeien uit overeenkomsten, zoals wanprestatie.

Om de procedure voor eenvoudige handelsgeschillen zo te kunnen inrichten als hiervoor beschreven, moet op verschillende punten worden afgeweken  van Rv. Afwijking van artikel 30k, vijfde  lid, Rv is nodig  indien de verweerder de mogelijkheid krijgt kort voor de zitting  nog verweer  te voeren. Afwijking van artikel 79 Rv is nodig  als de verplichte procesvertegenwoordiging wordt losgelaten. Ook is afwijking van het bewijsrecht nodig. Omdat procedures op basis van het experiment worden  gevoerd op een manier die deels overeenkomt met het kort geding en deels met een bodemprocedure, moet tot slot kunnen worden  afgeweken  van (delen van) afdelingen 5 (verloop  van de procedure), 9 (bewijs) en 14 (kort geding) van titel 2 van boek 1 Rv.

In de evaluatie  van dit experiment wordt vooral gekeken naar de lengte van de totale procedure en van de verschillende onderdelen (zoals de tijd tussen aanhangig  maken en de zitting  en de tijd tussen de zitting  en de op schrift  gestelde uitspraak),  de soorten zaken die aanhangig  worden gemaakt, de geschiktheid van een zaak voor de procedure en het soort uitspraak  dat door de rechter is gedaan (declaratoir, constitutief of condemnatoir). Verder wordt gekeken of partijen  nog hoger beroep instellen na deze efficiënte procedure. Daarnaast wordt bekeken of men met een advocaat of in persoon  verschijnt en of de zaak met een schikking of een vonnis  is afgerond. Zowel partijen  als de betrokken rechters worden  na afloop benaderd  om vragen te beantwoorden over hun beleving van deze wijze van afdoening van het geschil. De effecten worden  getoetst  aan de doelstelling van het experiment. Van een snelle afdoening kan bijvoorbeeld sprake zijn indien  de doorlooptijd van een procedure – van aanhangig  maken tot en met vonnis  – niet langer is dan een bepaalde, vooraf vastgestelde, periode.  Onderzocht  kan worden  of rechtzoekenden tevreden zijn over de doorlooptijd en of de doorlooptijd in de praktijk  haalbaar is voor de deelnemende rechtbanken. Hierbij  is nog van belang dat het resultaat van het experiment moet opwegen  tegen de inspanningen en kosten voor de rechtspraak om de doelstelling te bereiken. Voorkomen moet worden  dat er zo veel zaken voorrang krijgen als onderdeel van een experiment, dat reguliere zaken niet meer binnen een redelijke  termijn kunnen worden  afgedaan. Om die reden kan als onderdeel van de evaluatie  worden  bekeken of de eenvoud van de procedure ertoe leidt dat dit soort zaken ook voor de rechtspraak minder tijd en inspanning kosten dan wanneer ze in een reguliere bodemprocedure zouden zijn behandeld. Indien dat het geval is, kan het experiment de voortgang in de gehele rechtspraak bevorderen.

5.2. Aan de rechtbank toegevoegde deskundige leden

Het tweede voorbeeld van een experiment kan de inzet in de rechtbank van een toegevoegd deskundig  lid betreffen. Voor dit experiment is al een basis in artikel 5 opgenomen, zie hieronder bij de artikelsgewijze toelichting voor een nadere uitleg  waarom dit nodig  is. Dit deskundige lid zal een persoon  zijn met een bijzondere  deskundigheid die nodig  is om in een concrete zaak een geïnformeerd oordeel  over een geschil van een specifieke aard te kunnen geven. Het deskundige lid wordt toegevoegd aan de rechter of rechters in een concrete zaak en maakt dus deel uit van de rechtspraak zonder zelf rechter te zijn. De Wet RO kent al een aantal bijzondere  kamers met deskundige leden, waaronder de ondernemingskamer (artikel 66 Wet RO), de pachtkamer (artikelen  48, 48a en 48b) en de kamer voor het kwekersrecht (artikel 55a Wet RO). In deze kamers zijn niet-juristen benoemd  als deskundig  lid, niet zijnde rechterlijk ambtenaar. Voorbeelden zijn een rentmeester in de pachtkamer en een accountant in de ondernemingskamer. Wanneer er in andere zaken dan de specifieke zaken die deze kamers behandelen,  behoefte is aan speciale deskundigheid, dan kan die onder het huidige recht alleen worden  ingeschakeld langs de regels voor het bewijsrecht (artikelen  194–200 Rv). Dat kan de procedure ingewikkeld maken en vertragen. De rechter beveelt dan op verzoek van een partij  of ambtshalve een deskundigenbericht of -verhoor. Daartoe moet de rechter eerst een tussenvonnis wijzen, waarin  hij vermeldt waarover  het oordeel  van de deskundige(n) wordt gevraagd. Ook moet de rechter partijen  eerst nog de gelegenheid geven om aan te geven hoeveel deskundigen benoemd  moeten worden  en wie dat zouden moeten zijn. En de partijen  moeten commentaar kunnen geven op de vragen die de rechter heeft geformuleerd en die hij aan de deskundigen zou willen stellen. De partijen  moeten hiervoor een akte nemen. Hoewel het de voorkeur heeft dat partijen  gezamenlijk een deskundige voorstellen, lukt dat vaak niet. Dan velt de rechter opnieuw een tussenvonnis  waarin  hij de deskundige aanwijst  en de te stellen vragen vaststelt. Daarin moet ook een kostenschatting worden  opgenomen. Verder moeten partijen  meestal een voorschot deponeren om de betaling van het salaris van de deskundige en de door hem gemaakte uitvoeringskosten zeker te stellen. Uiteindelijk komen deze kosten aan het eind van de procedure doorgaans  ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.  Als de deskundige na het onderzoek zijn bevindingen in een conceptrapport heeft neergelegd,  mogen partijen  daarop reageren. De deskundige kan zijn conceptrapport hierop nog aanpassen, waarna hij zijn definitieve eindrapport uitbrengt. Vervolgens mogen partijen  bij akte reageren op het eindrapport en daarna volgt het eindvonnis van de rechter. Elke van de hiervoor beschreven  processtappen kan weer aanleiding geven tot onenigheid tussen partijen  en aanvullende tussenvonnissen van de rechter. Het risico is dat uiteindelijk elke partij  een eigen deskundige benoemt en de rechter zelf een derde deskundige benoemt.  Door dit alles kan de procedure met minimaal zes tot twaalf  maanden  worden  verlengd (zie hierover  de redactionele bijdrage van R. de Bock, in: Expertise en Recht 2017–6, p. 241–242). Bovendien  lopen de kosten voor beide partijen op, terwijl die kosten niet altijd  integraal vergoed  worden  door de in het ongelijk gestelde partij.  Deze procedurele verwikkelingen en extra tijd en kosten staan soms in de weg aan de benoeming van een deskundige, waar dat misschien met het oog op een juiste waarheidsvinding wel van belang zou kunnen zijn.

Daarom zou in een experiment kunnen worden  onderzocht of dit probleem kan worden  opgelost door vorming van een kamer in een rechtbank of een gerechtshof waaraan een deskundig  lid wordt toegevoegd. In deze experimentele procedure beoordeelt de rechter, eventueel samen met de partijen, in een vroeg stadium van een rechtszaak of het toevoegen  van een deskundig  lid kan bijdragen aan een effectievere afwikkeling van het geschil. Partijen kunnen bij aanvang van de procedure vragen om een regiezitting met de rechter, waar afspraken gemaakt kunnen worden  over het toevoegen  van een dergelijk deskundig  lid aan de kamer. Ook kan de rechter ambtshalve besluiten de zaak meteen te behandelen in een deskundigenkamer met een toegevoegd deskundig  lid, als hij van oordeel  is dat dat nodig  is voor een effectieve  afdoening van de zaak. Per zaak kan bepaald worden  wat de deskundigheid van het toegevoegde lid moet zijn. De inrichting van een aparte kamer voor deze vorm  van rechtspraak heeft als voordeel dat er dan permanent een structuur bestaat om dit soort zaken te behandelen.  Het maakt het verwijzen  naar deze kamer eenvoudig. Bovendien  voorkomt het problemen over de vraag wie ad hoc de deskundige leden aanwijst.

Afgezien van het eventuele  overleg  op de regiezitting over de vraag óf een dergelijk deskundig  lid bij de zaak betrokken zou moeten worden, hebben de partijen  geen invloed op de keuze van het toegevoegd deskundige lid, net zo min als ze invloed hebben op de keuze van de behandelend rechter. Het deskundige lid wordt toegevoegd aan de kamer van de rechtbank.  Hij neemt op dezelfde wijze deel aan de procedure als de rechter en is medebeslisser. Hij heeft zitting  naast de rechter in de enkelvoudige kamer en naast de drie rechters in een meervoudige kamer. Het uitgangspunt is normaliter dat er een oneven aantal rechters in een kamer zitting  heeft, om te voorkomen dat in de rechters in de raadkamer  verdeeld raken en niet tot een uitspraak  kunnen komen. Daarom is in artikel 5 van het wetsvoorstel opgenomen dat de rechter in een enkelvoudige kamer een doorslaggevende stem heeft in geval hij en het toegevoegde deskundige lid onderling van mening  verschillen over de uitspraak.  In een meervoudige kamer beslissen de drie rechters als de stemmen  van deze rechters samen met die van het toegevoegde deskundige lid staken. Doordat  het deskundige lid meebeslist en deel uitmaakt van de rechtspraak, is zijn betrokkenheid gedurende de gehele procedure gegarandeerd en zijn allerlei  tussenvonnissen en andere tussenstappen in de procedure niet meer nodig. Er hoeven bijvoorbeeld geen vragen geformuleerd te worden  die hem gesteld worden. De vroegtijdige inschakeling voor de duur van de gehele procedure voorkomt bovendien dat de eiser zich wellicht genoodzaakt  voelt om al bij de voorbereiding van de procedure een eigen deskundige in te schakelen ter onderbouwing van de vordering, waarna de verweerder hetzelfde doet om die onderbouwing tegen te kunnen spreken.

De rechtspraak beheert per rechtsgebied waarop  deskundigen kunnen worden  ingeschakeld, een lijst deskundigen, waaruit kan worden  geput voor de benoeming van een deskundige in een concrete zaak. Veel rechtbanken  beschikken al over een lijst met deskundigen op bepaalde terreinen, zoals op bouwtechnisch en medisch  terrein,  waarvan  in het kader van het experiment gebruik  kan worden  gemaakt. De namen van deze deskundigen worden  met hun nevenfuncties gepubliceerd op de website van de desbetreffende rechtbank,  zodat partijen  de onafhankelijkheid van het toegevoegd deskundige lid kunnen controleren. In het kader van het experiment kan bijvoorbeeld gestart worden  met deskundigen op het gebied van het bouwrecht. Dit kan een oplossing bieden voor veel zaken die niet zijn voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw, of voor zaken waarin  de bouwtechnische staat van een gebouw relevant  is voor een geschil dat buiten de competentie van die Raad ligt, zoals geschillen tussen buren of tussen de leden van een vereniging van eigenaren over bouwkundige gebreken. Ook kan gedacht worden  aan de toevoeging van een medisch  deskundige in letselschadezaken  of een accountant wanneer er financiële deskundigheid nodig  is bij een echtscheiding van echtgenoten die samen een onderneming hebben.

In de consultatie is in verband  met dit experiment gewezen op enkele uitspraken  van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over hoor en wederhoor (met name EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278, Mantovanelli/Frankrijk en EHRM 5 juli 2007, NJ 2010, 323, Sara Lind Eggertsdóttir / IJsland). In deze uitspraken  gaat het over de uitwisseling van standpunten tussen de partijen  en de in de rechtszaak ingeschakelde deskundigen. Uit die jurisprudentie volgt ten algemene  dat partijen adequaat moeten kunnen deelnemen aan de procedure bij de rechter en deskundigenbewijs moeten kunnen aanvechten  in rechte. Daarbij speelt een rol dat de deskundige door de rechter was benoemd, waardoor het advies van de deskundige invloed van betekenis heeft op de beoordeling van de rechtsvraag door de rechtbank.  In de consultatie is de vraag opgeworpen of een experimentele procedure met een aan de rechtbank toegevoegd deskundig  lid hiermee  in overeenstemming is. Voor het antwoord op deze vraag is vooral van belang dat het toegevoegd deskundig  lid – net als de rechter – is gebonden aan de rechtsstrijd zoals die tussen partijen  op tafel is gelegd. De rechter mag geen beslissing geven waarop  de betrokken partijen, gelet op het verloop  van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden  te zijn en over de consequenties waarvan  zij zich niet hebben kunnen uitlaten (HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, LBF/Stichting Jan Rebel). Dit geldt evenzeer voor de bijdrage die het toegevoegd deskundige lid aan die beslissing levert. Zoals hierboven in paragraaf  4.4 ook is uitgelegd, blijft in alle experimenten artikel 24 Rv in zoverre overeind dat de stellingen, feiten en de onderbouwing van de uitspraak  tussen partijen  en de rechter ter sprake moeten zijn geweest voordat  op basis daarvan uitspraak  wordt gedaan, om aan het recht op hoor en wederhoor te voldoen. Het toegevoegd deskundige lid mag dus niet in de raadkamer  een voor de besluitvorming relevant  deskundig  inzicht aan de rechter(s) voorleggen dat hij niet tijdens  de zitting  naar voren heeft gebracht.

In de consultatie heeft de NVvR aandacht gevraagd  voor de opleiding van de deskundigen in bijzondere  vaardigheden ten behoeve van hun rechtsprekende rol. Dat is een onderwerp dat aan de orde kan komen in het kader van het opstellen van een lijst deskundigen waaruit de rechtbanken zullen kunnen putten  voor de aanwijzing van een toegevoegd deskundige.  De opleiding van rechter-plaatsvervangers en van de deskundigen in de pachtkamer en de ondernemingskamer kan daarbij als voorbeeld dienen.

5.3. De alternatieve scheidingsprocedure

Het Platform onder leiding van André Rouvoet heeft een actieplan opgesteld om de schade die kinderen ondervinden van scheidingen te beperken (Kamerstukken II 2017/18, 33 836, nr. 23). Dit actieplan  omvat 45 actielijnen en oplossingsrichtingen, die worden  uitgewerkt in het Programma Scheiden zonder Schade, waarover  de Tweede Kamer bij brief van 9 mei 2018 is geïnformeerd (Kamerstukken II 2017/18, 33 836, nr. 25).

In deze brief staat ook het voornemen om te experimenteren met een alternatieve, laagdrempelige en snelle toegang  tot de familierechter en een meer op de belangen  van het gehele gezin gerichte  rechtsgang voor scheidingszaken en geschillen tussen ouders over hun kinderen.  Dit voornemen sluit ook aan bij het Visiedocument Rechtspraak (echt) scheiding ouders met kinderen van 10 oktober 2016.7 De te ontwikkelen procedure dient erop gericht te zijn om de scheiding op een zo harmonieus mogelijke manier te laten verlopen,  te voorkomen dat er in de loop van het proces grote conflicten ontstaan en de eigen kracht en het zorgend en probleemoplossend vermogen van de ouders, het kind en het sociale netwerk  te versterken.

Op dit moment dienen alleen de scheidende  ouders die het voor de start van de scheidingsprocedure volledig eens zijn over de wijze waarop  de scheiding zal worden  afgewikkeld, een gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek in, of wordt het verzoekschrift door één van de ouders ingediend waarbij de andere ouder een referteverklaring overlegt als deze het eens is met hetgeen in het verzoekschrift is verzocht. De echtscheiding wordt dan doorgaans  binnen korte termijn door de rechter uitgesproken. De partijafspraken over de gevolgen  van de echtscheiding, zoals een regeling voor gezag, omgang  en alimentatie, worden  onderdeel van de echtscheidingsbeschikking door aanhechting van het ouderschapsplan aan die beschikking.

Als de ouders het niet eens zijn over de verdeling van de verzorgingsen opvoedingstaken en overige  gevolgen  van de echtscheiding, start de procedure met een verzoek tot echtscheiding van de ene ouder, waarop een verweer  van de andere ouder volgt.  Gemeenschappelijke belangen, zoals de gezamenlijk verantwoordelijk voor een positieve ontwikkeling en stabiele opvoedingssituatie van de kinderen,  kunnen daardoor op de achtergrond raken. Ook het feit dat de procedure hoofdzakelijk schriftelijk wordt gevoerd, draagt er niet aan bij dat de scheidende  ouders met elkaar in gesprek blijven. Aanvankelijk misschien nog bestaande of mogelijke overeenstemming kan hierdoor verdwijnen naarmate  het proces vordert. De scheidende  ouders worden  als het ware in de strijdhouding geplaatst («toernooimodel»). Dit geldt eveneens voor geschillen tussen ouders die niet gehuwd zijn geweest en een conflict krijgen  bij het uitoefenen van het gezamenlijk ouderschap,  zoals geschillen over alimentatie.

Onderzocht  wordt of een alternatieve experimentele rechtsgang hierin verandering kan brengen. In navolging van de aanbevelingen van de heer Rouvoet is daarbij het uitgangspunt dat de schade bij kinderen zoveel mogelijk beperkt moet worden  als hun ouders uit elkaar gaan. Van belang is daarom om eventuele  strijd tussen scheidende  ouders zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken worden  een scheidingsloket, een nieuwe procedure voor de rechter en de figuur van een gezinsvertegenwoordiger ontwikkeld. Er wordt bijvoorbeeld bekeken of de juridische procedure kan worden  gestart met één gezamenlijk processtuk  van beide ouders, ook als zij het nog niet met elkaar eens zijn over de gevolgen  van de scheiding. In dat stuk kan worden  opgenomen over welke punten partijen  het nog niet eens zijn en waarover  zij een beslissing van de rechter willen.  Ook zal worden  bekeken of het wenselijk  is, dat de rechter zich kan laten bijstaan door deskundigen – bijvoorbeeld een sociaalpedagogisch hulpverlener. Deze deskundige kan de rechter adviseren  over hoe de procedure het beste ingericht kan worden  ten behoeve van een conflictarme afwikkeling van het geschil.

In lijn met het actieplan  en de hiervoor aangehaalde  brief van 9 mei 2018 is het ook zinvol om de mogelijkheden voor de inzet van een neutrale gezinsvertegenwoordiger bij de procedure voor de rechter in experimentverband  te verkennen.  Taak van deze gezinsvertegenwoordiger is om scheidende  ouders en hun kind(eren) bij te staan en hen hulp te bieden bij allerlei  zaken die tijdens  het echtscheidingsproces aan de orde komen. De gezinsvertegenwoordiger houdt de belangen  van alle gezinsleden in het oog.