Tijdelijke verlaging van de belastingen invorderingsrente AWR, IW 1990 en Awir

Geschreven door Lexalert
Foto: smallcurio  

Het wetsvoorstel Verzamelwet van 12 mei 2020 voorziet in een wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990 (IW 1990) en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)  in verband  met het tijdelijk verlagen van de belastingen invorderingsrente.

Inleiding

De economische impact  van de COVID-19 uitbraak  is voor veel ondernemers groot.  Het kabinet heeft aangekondigd de komende  periode  een ruimhartig fiscaal beleid te voeren om deze gevolgen  zoveel mogelijk te verzachten. Op 17 maart 2020 heeft het kabinet enkele concrete fiscale maatregelen aangekondigd die erop zijn gericht de liquiditeit van ondernemers te ondersteunen. Hierbij  is onder andere aangekondigd dat de invorderingsen belastingrente tijdelijk worden  verlaagd.  Het eerste moment waarop  de verlaging van de belastingrente uitvoeringstechnisch mogelijk is, is 1 juni 2020 voor alle belastingmiddelen behalve de inkomstenbelasting (IB) en 1 juli 2020 voor de IB. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet  in een wettelijke aanpassing  met betrekking  tot de hoogte van het percentage  van de belastingrente vanaf de genoemde momenten. De verlaging van de invorderingsrente wat betreft  de rente die door de Belastingdienst in rekening wordt gebracht,  is reeds per 23 maart 2020 per beleidsbesluit gerealiseerd. Deze verlaging wordt met dit wetsvoorstel wettelijk bestendigd. Al deze verlagingen zijn van tijdelijke aard en hangen samen met de uitbraak  van COVID-19. In onderhavig wetsvoorstel wordt voor de periode  daarna ook de wijze waarop  het percentage  voor de invorderingsen belastingrente wordt vastgesteld, gewijzigd.

Doel van de tijdelijke verlaging van de percentages voor de belastingen invorderingsrente

Met de tijdelijke verlaging van de percentages voor de belastingen invorderingsrente worden  de mogelijkheden voor uitstel  voor het doen van aangifte  en uitstel  van betaling voor ondernemers en andere belastingplichtigen zo laagdrempelig mogelijk gemaakt. Belastingplichtigen die gebruikmaken van de mogelijkheid van uitstel  voor het doen van

aangifte  worden  ten gevolge  van de verlaging tijdelijk nagenoeg niet meer geconfronteerd met belastingrente. Ondernemers die gebruikmaken van het tijdelijk versoepelde  uitstelbeleid dat in verband  met de uitbraak  van COVID-19 is ingesteld, profiteren direct van de verlaging van de invorderingsrente. Aangekondigd is dat de Belastingdienst verzoeken om uitstel van betaling voorlopig soepel behandelt:  feitelijk wordt uitstel  direct voor

3 maanden  verleend.  Normaliter wordt gedurende de hele periode  van uitstel  van betaling invorderingsrente in rekening gebracht.  Zonder de verlaging van de invorderingsrente zou de verruimde mogelijkheid van uitstel  van betaling voor ondernemers, maar ook de bestaande mogelijkheid van uitstel  van betaling voor particulieren, dus alsnog (mogelijk hoge) kosten met zich brengen. Ten gevolge  van de verlaging van 4% naar 0,01% is hiervan  nagenoeg geen sprake meer.


►Blijf op de hoogte over de juridische actualiteit. Schrijf in op onze gratis nieuwsbrief


Belastingrente en invorderingsrente

Belastingrente

Belastingrente kan zowel in rekening worden  gebracht als worden vergoed. De regeling van de belastingrente komt er in grote lijnen  op neer dat de inspecteur  belastingrente in rekening brengt  wanneer het opleggen van een belastingaanslag tot een positief bedrag te lang uitblijft door toedoen  van de belastingplichtige, bijvoorbeeld als gevolg  van het gebruikmaken van de mogelijkheid tot uitstel  tot het doen van aangifte.

De inspecteur  vergoedt belastingrente wanneer het vaststellen  van een belastingaanslag tot een negatief  bedrag te lang uitblijft door toedoen  van de inspecteur,  mits die belastingaanslag overeenkomstig de aangifte  of een (herzienings)verzoek wordt vastgesteld.

Het percentage  van belastingrente voor de vennootschapsbelasting (Vpb) is gelijk aan de wettelijke rente voor handelstransacties met dien verstande dat een wettelijk minimumpercentage van 8 geldt.  Het percentage  voor de overige  belastingmiddelen is gelijk aan de wettelijke rente voor niet-handelstransacties waarbij een wettelijk minimumpercentage van 4 geldt.

Voor het in rekening brengen  en het vergoeden  van belastingrente gelden dezelfde percentages.  Uitvoeringstechnisch is het niet mogelijk om voor het in rekening brengen  van belastingrente een ander percentage  te laten gelden dan voor het vergoeden  van belastingrente. Ten aanzien van belastingrente die met betrekking  tot toeslagen  in rekening wordt gebracht of wordt vergoed, bestaat wél de mogelijkheid verschillende percentages te hanteren (zie paragraaf  4.5).

Invorderingsrente

Net als belastingrente kan invorderingsrente zowel in rekening worden gebracht als worden  vergoed. De regeling van de invorderingsrente komt er in grote lijnen  op neer dat invorderingsrente over het nog openstaande bedrag in rekening wordt gebracht als de enige of laatste betalingstermijn van een belastingaanslag wordt overschreden. Ook indien  uitstel  van betaling wordt verleend,  wordt in de meeste gevallen  invorderingsrente in rekening gebracht. Invorderingsrente wordt vergoed  als de Belastingdienst te lang wacht met het uitbetalen van een teruggaaf.

Het percentage  van de invorderingsrente is gelijk aan de rente voor niet-handelstransacties, met dien verstande  dat een wettelijk minimumpercentage  van 4 geldt. Voor het vergoeden  en in rekening brengen  van invorderingsrente geldt hetzelfde percentage. Uitvoeringstechnisch is het echter wel mogelijk om voor het in rekening brengen  van invorderingsrente een ander percentage  te laten gelden dan voor het vergoeden  van invorderingsrente.

Realisering  verlaging belastingen invorderingsrente

Gebleken is dat de verlaging van de belastingen invorderingsrente naar 0,0% uitvoeringstechnisch niet mogelijk is. Verlaging naar 0,01% is wel te verwerken  in de systemen  van de Belastingdienst, wat de keuze van het kabinet voor dat percentage  verklaart.

Belastingrente

De Belastingdienst heeft aangegeven dat het eerste moment waarop  de verlaging van de belastingrente uitvoeringstechnisch kan worden gerealiseerd  1 juni 2020 is, met dien verstande  dat de verlaging van de belastingrente voor de inkomstenbelasting (IB) pas vanaf 1 juli 2020 kan worden  gerealiseerd.

Nu het uitvoeringstechnisch niet mogelijk is te differentiëren tussen het in rekening te brengen  percentage  en het te vergoeden  percentage, wordt voorgesteld het verlaagde  percentage  van 0,01% niet alleen voor in rekening gebrachte belastingrente te laten gelden, maar ook voor belastingrente die aan belastingplichtigen wordt vergoed. De verlaging kan hierdoor in sommige gevallen  ook nadelig  voor belastingplichtigen zijn. Hierbij  geldt echter dat belastingrente in veel meer gevallen  in rekening wordt gebracht (in 2019 2.392.000 keer) dan wordt vergoed  (in 2019 443.000 keer). In 2019 werd € 662 miljoen aan belastingrente ontvangen en € 118 miljoen vergoed. Op basis van deze gegevens is het kabinet van mening  dat met de verlaging van de belastingrente per saldo een gewenste  lastenverlichting wordt gerealiseerd.

Omdat de verlaging van belastingrente niet alleen begunstigend uitpakt voor belastingplichtigen is het niet mogelijk deze maatregel bij beleidsbesluit te realiseren.  Bij beleidsbesluit kan – afgezien van bepaalde uitzonderingssituaties – immers  uitsluitend in het voordeel van belastingplichtigen (tijdelijk) worden  afgeweken  van de wet. Indien sprake is van voor belastingplichtigen níet begunstigende afwijking van de wet, zullen bezwaren tegen een dergelijke afwijking – afgezien van de bedoelde uitzonderingssituaties – uiteraard moeten worden  toegekend.  Gezien het grote aantal belastingplichtigen dat dit mogelijk betreft  (in 2019 was 443.000 keer sprake van vergoeding van belastingrente) is een dergelijke gang van zaken voor de Belastingdienst uitvoeringstechnisch niet mogelijk.

Wetstechnisch is de verlaging als volgt ingericht. In het wetsvoorstel zijn drie versies opgenomen van het artikel dat het percentage  van de belastingrente regelt. Het is de bedoeling dat deze drie versies achtereenvolgens in werking treden op drie bij koninklijk besluit  te bepalen tijdstippen. Het is de bedoeling dat:

  • op (of met terugwerkende kracht tot en met) 1 juni 2020 in de AWR wordt opgenomen dat het percentage  van de belastingrente voor alle belastingmiddelen 0,01% bedraagt,  met uitzondering van de IB, waarvoor dan nog een percentage  van 4% blijft gelden;
  • op (of met terugwerkende kracht tot en met) 1 juli 2020 in de AWR wordt opgenomen dat álle percentages 0,01% bedragen  (dus ook voor de IB);
  • zodra de verlaging niet meer noodzakelijk  en passend is in het kader van de COVID-19-crisis (zie hieronder), in de AWR wordt opgenomen dat het percentage  van de belastingrente bij algemene  maatregel van bestuur wordt vastgesteld waarbij het uitgangpunt is dat de onder het oude regime geldende  percentages (4% en 8%) worden  hersteld.

Zoals aangekondigd is de verlaging van de belastingen invorderingsrente een tijdelijke maatregel.  Het is de bedoeling dat de lagere percentages gedurende drie maanden  van kracht blijven. Ook de budgettaire gevolgen  (zie hieronder) zijn gebaseerd op een drie maanden  geldende verlaging naar 0,01%. Het uitgangspunt van het kabinet is dat de percentages ná deze drie maanden  weer op de onder het oude regime geldende  percentages van 4% en 8% worden  gesteld. In de genoemde brief van 17 maart 2020 heeft het kabinet echter ook aangegeven dat afhankelijk  van de ontwikkelingen rondom de COVID-19-crisis noodzakelijke en passende (fiscale) vervolgmaatregelen zullen worden  getroffen indien  de situatie  daartoe noopt.  Om enige mate van flexibiliteit te bewaren ten aanzien van het moment waarop  de rentepercentages worden  verhoogd, wordt voorgesteld te bepalen dat de vaststelling van de rentepercentages vanaf een bij koninklijk besluit  te bepalen moment bij algemene  maatregel van bestuur plaatsvindt. Vanaf dat moment worden de voor de belastingrente geldende  percentages dus niet langer in de AWR opgenomen, maar in een algemene  maatregel van bestuur.

Invorderingsrente

Ten aanzien van de invorderingsrente is het wel mogelijk te differentiëren tussen het percentage  van de te vergoeden  rente en het percentage  van de in rekening te brengen  rente. Hierdoor kan voor het in rekening brengen van invorderingsrente een percentage  van 0,01% worden gehanteerd,  terwijl voor het vergoeden  van invorderingsrente het percentage  van 4% kan blijven gelden. Omdat deze werkwijze zonder meer begunstigend is voor belastingschuldigen, kon dit bij beleidsbesluit worden  gerealiseerd  (zie hieronder). Wat niet begunstigend is voor belastingschuldigen, is dat de hoogte van de betalingskorting is gekoppeld aan het percentage  van de invorderingsrente. Belastingschuldigen die een voorlopige aanslag IB of Vpb in termijnen mogen betalen maar kiezen voor betaling in één keer (vóór de eerste betaaldatum), kunnen betalingskorting krijgen,  die wordt berekend naar het percentage van de invorderingsrente. Normaliter betekent de verlaging van de invorderingsrente naar 0,01% dus ook dat het bedrag aan betalingskorting waarop  belastingschuldigen aanspraak kunnen maken, wordt verlaagd.

In het beleidsbesluit waarbij de verlaging van de invorderingsrente per 23 maart 2020 is gerealiseerd, is aangegeven dat belastingschuldigen die ten gevolge  van de verlaagde  invorderingsrente worden  geconfronteerd met een verlaagde  betalingskorting hiertegen  bezwaar kunnen maken bij de Belastingdienst. Dergelijke bezwaren worden  door de Belastingdienst toegekend,  waarna zij het verschil krijgen  uitgekeerd. De Belastingdienst heeft aangegeven dat dit tot een extra werklast  leidt, die enkel tijdelijk kan worden  gedragen. Dit regime is dan ook slechts van toepassing tot 1 juni 2020, het beoogde moment waarop  de verlaging van de invorderingsrente wettelijk wordt bestendigd. Vanaf 1 juni 2020 bedraagt het percentage  van de invorderingsrente een bij algemene  maatregel van bestuur vast te stellen percentage  (waarover hieronder meer), dat dan voor in rekening te brengen  en voor te vergoeden  invorderingsrente verschillend kan worden vastgesteld.  Wat betreft  de betalingskorting wordt aangesloten  bij het percentage  dat voor in rekening te brengen  invorderingsrente wordt gehanteerd en dat in eerste instantie – net als in het beleidsbesluit – 0,01% zal bedragen. Uitvoeringstechnisch is het niet mogelijk aan te sluiten  bij het percentage  dat voor te vergoeden  invorderingsrente wordt gerekend. De verlaging van de invorderingsrente heeft vanaf 1 juni 2020 dus tot gevolg  dat belastingschuldigen nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op een betalingskorting tot het moment dat het percentage  voor in rekening te brengen  invorderingsrente weer wordt verhoogd.

Vanwege bovengenoemd argument dat het kabinet afhankelijk  van de ontwikkelingen noodzakelijke en passende (fiscale) vervolgmaatregelen zal treffen  indien  de situatie  daartoe noopt,  is ook wat betreft  de invorderingsrente zekerheidshalve gekozen voor een voorstel tot vaststelling van het percentage  bij algemene  maatregel van bestuur. Ook bij deze maatregel geldt echter dat het uitgangspunt is dat drie maanden  na inwerkingtreding van de verlaging een verhoging van het percentage  naar 4% plaatsvindt, hetgeen in dat geval bij algemene  maatregel van bestuur wordt bewerkstelligd.

Doorwerking verlaging belastingen invorderingsrente naar de toeslagen

Het percentage  belastingen invorderingsrente zoals dat is vastgesteld in de AWR en de IW 1990 is ook ten aanzien van een aantal andere regelingen dan de AWR en de IW 1990 van belang. Zo is in de Awir  ten aanzien van toeslagen  bepaald dat indien  bij een toeslaggerechtigde een bedrag wordt teruggevorderd of indien  een toeslaggerechtigde bijvoorbeeld een boete te laat betaalt, diegene hierover  invorderingsrente is verschuldigd. Als na 1 juli volgend op het jaar waarop  een toeslag wordt berekend (berekeningsjaar) wordt vastgesteld dat met betrekking  tot dat berekeningsjaar alsnog toeslagbedragen moeten worden  uitbetaald of teruggevorderd, wordt over die bedragen  belastingrente vergoed  of in rekening gebracht. Wat betreft  invorderingsrente die dient te worden betaald over terugvorderingen of boetes geldt dat enkel sprake is van rente die toeslaggerechtigden aan de Belastingdienst dienen te betalen. Op grond  van de Awir  wordt geen invorderingsrente vergoed, waardoor de verlaging van de invorderingsrente wat betreft  toeslagen  louter begunstigend uitpakt.  Wat betreft  belastingrente die ingevolge de Awir van toepassing is, geldt dat in 2019 bij 929.000 toeslagbeschikkingen belastingrente in rekening is gebracht (betreft  € 16,8 miljoen) en bij 1.098.000 toeslagbeschikkingen belastingrente is vergoed  (betreft € 26,7 miljoen). Ten aanzien van toeslagen  geldt dus niet dat een verlaging van het percentage  belastingrente per saldo een lastenverlichting realiseert.  Zoals hiervoor is opgemerkt is het wel mogelijk ten aanzien van belastingrente voor de toeslagen  onderscheid te maken tussen te vergoeden  en in rekening te brengen  belastingrente. Gezien eerdergenoemde getallen  en bedragen  is daarom in de voorgestelde tekst van de Awir  bepaald dat het percentage  van de in rekening te brengen belastingrente 0,01% bedraagt en het percentage  van de te vergoeden rente 4%. Het percentage  van te vergoeden  belastingrente sluit aan bij het percentage  zoals dat luidde  voordat  het percentage  van de belastingrente vanwege  de COVID-19 crises werd verlaagd.  Op deze manier wordt een maximale lastenverlichting voor toeslaggerechtigden gerealiseerd. Zodra de verlaging van de belastingrente niet langer aan de orde is, wordt op grond  van het wetsvoorstel net als in de huidige situatie  wederom aangesloten  bij het percentage  dat op grond  van de AWR geldt voor de IB.

Budgettaire aspecten

Zoals hiervoor is opgemerkt is de verlaging van de belastingen invorderingsrente aangekondigd als tijdelijke maatregel,  met als uitgangspunt dat deze tijdelijkheid drie maanden  duurt.  In de Incidentele suppletoire begroting van het Ministerie van Financiën (IX) voor het jaar 2020 inzake Noodpakket  banen en economie zijn de geschatte budgettaire effecten opgenomen. Afhankelijk van het daadwerkelijke gebruik  van de tijdelijk verlaagde  rentes kunnen de uiteindelijke budgettaire effecten afwijken. Waar relevant  zal dit door middel van (suppletoire) begrotingen verwerkt worden.

Lees de volledige tekst van het wetsvoorstel Regels  over  een tijdelijke voorziening voor  de betekening van exploten op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en wijziging van de Loodsenwet, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de Luchtvaartwet BES in verband met  de uitbraak van COVID-19 (Verzamelspoedwet COVID-19)