UBO-register - Implementatie vierde antiwitwasrichtlijn in Nederland

Geschreven door Lexalert
Foto: Vox Efx  

Met het oog op de invoering van het UBO-register in Nederland worden de Handelsregisterwet 2007 en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) aangepast. Dit gebeurt in uitvoering van de vierde anti-witwasrichtlijn. UBO staat voor “ultimate beneficial owner” of uiteindelijke begunstigde. Het UBO-register treedt op 1 januari 2020 in werking.

De vierde anti-witwasrichtlijn kent, in navolging van de FATF-aanbevelingen, twee regimes  voor het registreren van UBO-informatie: een regime met betrekking  tot de UBO’s van vennootschappen en andere juridische entiteiten die in Nederland  zijn opgericht (artikel 30) en een regime met betrekking  tot de UBO’s van trusts en andere soorten juridische constructies met een soortgelijke structuur of functie  als trusts (artikel 31). Zoals gezegd ziet het onderhavige wetsvoorstel uitsluitend op de implementatie van artikel 30.

Doel van de richtlijn

De richtlijn strekt tot het voorkomen van het gebruik  van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering. Recente terroristische aanslagen hebben duidelijk gemaakt dat de wijze waarop terroristische groeperingen hun operaties  financieren en uitvoeren aan het veranderen is. Daarnaast rijst uit publicaties over de Panama Papers een beeld van activiteiten die uitsluitend zijn gericht op het verhullen van inkomsten en vermogens, om zodoende belasting te ontduiken en geld en vermogen wit te wassen. Teneinde het bestaande preventieve kader te verbeteren en terrorismefinanciering en witwassen effectiever  tegen te gaan, moeten verdere maatregelen worden  genomen  om onder meer de transparantie van vennootschappen en andere juridische entiteiten te vergroten. De integriteit van het financiële stelsel van de Europese Unie is afhankelijk  van deze transparantie. De richtlijn heeft niet alleen tot doel het witwassen van geld op te sporen en te onderzoeken,  maar ook witwassen te voorkomen. Meer transparantie kan een krachtig afschrikkend effect hebben. EU-lidstaten  moeten er dan ook onder meer voor zorgen dat op hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten toereikende,  accurate en actuele informatie over hun uiteindelijk belanghebbenden inwinnen en bijhouden, alsmede registreren in een openbaar  toegankelijk register.  Dergelijke informatie over de uiteindelijk belanghebbenden vormt een belangrijke bijdrage aan de strijd tegen criminelen die hun identiteit anders achter een juridische structuur kunnen verbergen.

Artikel 30 van de vierde anti-witwasrichtlijn

Het eerste lid van artikel 30 van de vierde anti-witwasrichtlijn bevat de verplichting voor lidstaten om te zorgen dat binnen hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten toereikende, accurate en actuele informatie inwinnen en bijhouden over wie hun UBO’s zijn, waaronder detailgegevens over de door de UBO’s gehouden economische belangen. Lidstaten  moeten er voor zorgen dat inbreuken op artikel 30 onderworpen worden  aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende maatregelen of sancties. Ook wordt in het eerste lid bepaald dat de lidstaten verlangen dat UBO’s aan de vennootschappen of andere juridische entiteiten waar zij UBO van zijn alle informatie verstrekken  die deze vennootschappen en entiteiten nodig  hebben om te kunnen voldoen aan de verplichting tot het inwinnen en bijhouden van toereikende, accurate en actuele UBO-informatie. Dit betreft  de zogenoemde meewerkverplichting voor UBO’s.

Tevens is in het eerste lid bepaald dat lidstaten er voor moeten zorgen dat deze vennootschappen en juridische entiteiten verplicht zijn om deze informatie te verstrekken  aan meldingsplichtige instellingen  wanneer deze cliëntonderzoek doen. Deze informatie moet eveneens tijdig toegankelijk zijn voor bevoegde autoriteiten en de Financiële inlichtingen eenheid (artikel 30, tweede lid).

Het derde lid bepaalt dat lidstaten ervoor  zorgen dat de informatie over UBO’s wordt gehouden in een centraal register.  De richtlijn noemt daarbij als voorbeeld verschillende registervarianten: een handelsregister, een vennootschapsregister of een openbaar  register.  De in het register bijgehouden informatie over UBO’s kan in overeenstemming met nationale regelingen worden  verzameld.

Artikel 30, vierde lid, bepaalt dat de lidstaten verlangen dat de in het register  bijgehouden informatie toereikend, accuraat en actueel is en daartoe wordt voorzien  in mechanismen. Om dit te bewerkstelligen moeten zowel meldingsplichtige instellingen als bevoegde autoriteiten, indien  nodig  en voor zover dit vereiste hun taken niet onnodig doorkruist – verplicht melding maken van iedere discrepantie die zij aantreffen tussen de UBO-informatie in het centrale nationale  register  en de informatie waarover  zij beschikken. Lidstaten  dienen ervoor  te zorgen dat wanneer er sprake is van dergelijke terugmeldingen er passende maatregelen worden  getroffen om de discrepanties tijdig  te verhelpen en dat er zo nodig  ondertussen een specifieke vermelding in het centrale register  wordt opgenomen.

Het vijfde  lid bepaalt dat informatie over UBO’s verplicht openbaar toegankelijk moet zijn. In alle gevallen  moeten bevoegde autoriteiten, de Financiële inlichtingen eenheid, de meldingsplichtige entiteiten in het kader van hun cliëntenonderzoek en elk lid van de bevolking  de UBO-informatie kunnen raadplegen.  Een ieder moet minimaal toegang hebben tot zes UBO-gegevens:  naam, geboortemaand en -jaar, woonstaat, nationaliteit en de aard en omvang van het door de uiteindelijk belanghebbende gehouden economische belang. De lidstaten kunnen onder in het nationale  recht vast te stellen voorwaarden voorzien  in toegang  tot aanvullende informatie aan de hand waarvan  de uiteindelijk belanghebbende kan worden  geïdentificeerd. Die aanvullende informatie omvat in dat geval ten minste  de geboortedatum of de contactgegevens, overeenkomstig de regels inzake gegevensbescherming. Lidstaten  kunnen ervoor kiezen dat personen  die inzage vragen van UBO-informatie in de nationale registers zich online  registreren en een vergoeding betalen, die de administratiekosten met inbegrip van de kosten voor het bijhouden en ontwikkelen van het register  niet mag overschrijden, zo bepaalt artikel 30, lid 5bis.

Het zesde lid van artikel 30 bepaalt dat bevoegde autoriteiten en de Financiële inlichtingen eenheid tijdig  en onbeperkt toegang  moeten hebben tot alle UBO-informatie, zonder dat de betrokken vennootschap of andere juridische entiteit daarvan in kennis wordt gesteld. Ook de meldingsplichtige entiteiten moeten tijdig  toegang  krijgen  tot het UBO-register ten behoeve van hun cliëntenonderzoek. De bevoegde autoriteiten die toegang  krijgen  tot het in lid 3 bedoelde  centraal register zijn de publieke  autoriteiten waaraan taken zijn toegewezen op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, alsook belastingautoriteiten, toezichthouders van meldingsplichtige entiteiten en autoriteiten die de opdracht hebben het witwassen van geld, daarmee verband  houdende basisdelicten en terrorismefinanciering te onderzoeken of te vervolgen en criminele activa op te sporen en in beslag te nemen of te bevriezen en te confisqueren. Dat de bevoegde autoriteiten en de Financiële inlichtingen eenheid in staat dienen te worden  gesteld de UBO-informatie voorts ook tijdig  en kosteloos  aan de bevoegde autoriteiten respectievelijk de Financiële inlichtingen eenheden van andere lidstaten te verstrekken, staat in het zevende lid van artikel 30.

Op grond  van het achtste lid mogen meldingsplichtige entiteiten zich bij het uitvoeren van cliëntenonderzoek niet uitsluitend verlaten  op de informatie in het centraal register.  Aan deze eis kunnen meldingsplichtige entiteiten voldoen met een op risico gebaseerde aanpak.

Het negende lid bepaalt dat de lidstaten in uitzonderlijke omstandigheden en per geval kunnen voorzien  in een uitzondering op de toegang  tot UBO-informatie. Deze uitzondering is aan de orde indien  toegang  tot de informatie de UBO blootstelt aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen,  geweld  of intimidatie of als de UBO minderjarig of handelingsonbekwaam is. De lidstaten zorgen ervoor  dat dergelijke uitzonderingen worden  verleend na een gedetailleerde beoordeling van de uitzonderlijke aard van de omstandigheden. Het recht op een bestuurlijke toetsing van het besluit  over de uitzondering en op een doeltreffende voorziening in rechte moet worden gegarandeerd. Een lidstaat  die uitzonderingen heeft verleend dient jaarlijkse statistische gegevens over het aantal uitzonderingen die zijn verleend en met welke redenen te publiceren en over deze gegevens aan de Commissie verslag uit te brengen. Deze uitzondering kan niet worden ingeroepen in de gevallen  dat bevoegde autoriteiten, de Financiële inlichtingen eenheid, kredietinstellingen, financiële instellingen en meldingsplichtige entiteiten die openbare  ambtenaren zijn, toegang wensen tot de UBO-informatie.

Alle registers van uiteindelijk belanghebbenden binnen de Europese Unie moeten worden  gekoppeld  via het bij artikel 22, lid 1, van Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad ingestelde  Europees centraal platform, zo schrijft tot slot het tiende lid voor. In dit lid wordt tevens bepaald dat de UBO-gegevens minimaal 5 jaar en maximaal 10 jaar na het schrappen  van de vennootschap of juridische entiteit uit het register  toegankelijk blijven via de nationale  registers en via het systeem van gekoppelde registers.

Uitwerking van het begrip «uiteindelijk belanghebbende»

De uitwerking van het begrip «uiteindelijk belanghebbende» in artikel 3, zesde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn bestaat uit een definitie en

drie onderdelen waarin  een uitwerking wordt gegeven van wat ten minste moet worden  verstaan onder een UBO. De aanhef van artikel 3, zesde lid omvat de UBO-definitie: een UBO is «elke natuurlijke perso(o)n(en) die de uiteindelijk eigenaar is (zijn) van of zeggenschap heeft (hebben) over de cliënt en/of de natuurlijke perso(o)n(en) voor wiens/wier rekening een transactie  wordt verricht».  In de onderdelen a tot en met c van artikel 3, zesde lid, van de richtlijn wordt vervolgens voor drie gevallen  duidelijk gemaakt welke personen  tenminste als UBO moeten worden  aangemerkt: bij (a) vennootschapsrechtelijke entiteiten, (b) trusts en (c) juridische entiteiten als stichtingen en juridische constructies die vergelijkbaar zijn met trusts. De opsomming in de onderdelen a tot en met c betreft nadrukkelijk geen limitatieve opsomming van criteria,  maar een omschrijving van de gevallen  waarin  in ieder geval sprake is van een UBO.

De definitie in de aanhef van artikel 3, zesde lid, van de richtlijn bestaat uit twee delen. Het eerste deel («elke natuurlijke perso(o)n(en) die de uiteindelijke eigenaar is (zijn) van of zeggenschap heeft (hebben) over de cliënt») heeft in Nederland  betrekking  op een cliënt met wie een meldingsplichtige instelling in de zin van de Wwft  een zakelijke relatie, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g van de Wwft, heeft. Het tweede deel («de natuurlijke perso(o)n(en) voor wiens/wier rekening een transactie  of activiteit wordt verricht»)  heeft betrekking  op de natuurlijke persoon  die betrokkenheid heeft bij een incidentele transactie. Deze tweede betekenis van het begrip UBO is enkel relevant  voor verplichtingen voor de meldingsplichtige instellingen uit de andere delen van de richtlijn (bijvoorbeeld de verplichtingen betreffende het cliëntenonderzoek) en niet voor het inwinnen en centraal registreren van UBO-informatie door vennootschappen en andere juridische entiteiten. In het kader van het onderhavige wetsvoorstel zal dan ook alleen het eerste deel van de definitie worden  geïmplementeerd.

Wijzigingen ten opzichte van het voormalige artikel 30

De wijzigingsrichtlijn heeft artikel 30 van de vierde anti-witwasrichtlijn op enkele punten gewijzigd. Voor de volledigheid volgt hier een korte uiteenzetting van de belangrijkste wijzigingen die met de inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn in artikel 30 zijn doorgevoerd:

  1. Een openbaar  toegankelijk register  van uiteindelijk belanghebbenden is niet langer een lidstaatoptie maar een verplichting (zie paragraaf 3.1.6).
  2. Lidstaten  moeten voorzien  in sanctiemaatregelen ten aanzien van alle verplichtingen die verband  houden met de registratie van UBOinformatie (zie paragraaf  5).
  3. Een zogenoemde terugmeldplicht (zie paragraaf  3.2.5) voor bevoegde autoriteiten en Wwft-instellingen is verplicht.
  4. Uiteindelijk belanghebbenden moeten verplicht vennootschappen en andere juridische entiteiten voorzien  van alle informatie die zij nodig hebben om te kunnen voldoen aan de verplichting om toereikende, accurate en actuele informatie over hun uiteindelijk belanghebbenden in te winnen en bij te houden (de zogenaamde  «meewerkverplichting», zie paragraaf  3.2.4).
  5. De gevallen  waarin  afscherming van de openbaar  toegankelijke
  1. UBO-informatie kan worden  gevraagd, zijn – zij het in beperkte mate – verruimd (zie paragraaf  3.1.6.3). Tegelijkertijd dient hierover  jaarlijks informatie te worden  vastgelegd en te worden  gedeeld met de Europese Commissie.
  1. De registers van de lidstaten zullen op termijn worden  gekoppeld.
  2. De bewaartermijn ten aanzien van UBO-informatie in het register bedraagt minimaal vijf en maximaal tien jaar na het schrappen  van een vennootschap of andere juridische entiteit uit het register.
  3. De wijzigingsrichtlijn voorziet  in een nieuwe  implementatietermijn van 18 maanden  na het in werking treden van de wijzigingsrichtlijn.

Implementatietermijn

Artikel 67 van de vierde anti-witwasrichtlijn regelt de implementatietermijn. Met de wijzigingsrichtlijn is de termijn voor de implementatie van artikel 30 gewijzigd. Dit artikel moet nu uiterlijk 18 maanden  op de twintigste dag na die van de bekendmaking van de wijzigingsrichtlijn, derhalve op 10 januari 2020, geïmplementeerd zijn.

Meer weten over het UBO-register: