Verzamelwet SZW 2020

Geschreven door Lexalert
Foto: Barta IV  

Het wetsvoorstel tot Verzamelwet SZW 2020 beoogt een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) te wijzigen. De wijzigingen betreffen zowel de arbeidswetgeving, de socialezekerheidswetgeving als wetgeving rondom de structuur van de uitvoeringsorganisatie.

Het wetsvoorstel behelst onder andere wijzigingen die voortvloeien uit door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) en de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) aangedragen knelpunten in de uitvoering. Het gaat hierbij om tekstuele aanpassingen, technische verbeteringen en verheldering van bepaalde punten.

Tot slot dienen enkele voorstellen ter verduidelijking en nadere invulling van eerder gemaakte beleidskeuzes en het herstellen van omissies. Met de voorgestelde wijzigingen worden geen substantiële beleidswijzigingen beoogd. Het wetsvoorstel behelst derhalve enkel zogenoemd “klein beleid”. Hiermee voldoet het wetsvoorstel aan de drie criteria die de regering in de brief van 20 juli 2011 heeft gesteld aan verzamelwetgeving, namelijk onderlinge samenhang, geen omvangrijke en complexe onderdelen en geen politiek omstreden inhoud.[1] Het wetsvoorstel heeft geen (substantiële) financiële consequenties. De meeste wijzigingen hebben geen financiële consequenties. Bij de onderwerpen die wel beperkte financiële consequenties hebben, is dit nader beschreven in de toelichting. De kleine beleidsmatige wijzigingen worden hieronder kort per onderwerp toegelicht. In het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de verschillende wijzigingsvoorstellen.

Klein beleid

1 Verstrekking ongevalsrapport aan slachtoffer (artikel IV)

Slachtoffers van een arbeidsongeval waarbij door de Inspectie SZW géén overtreding van het bedrijf is geconstateerd beschikken momenteel niet over de wettelijke mogelijkheid (direct) toegang te krijgen tot het onderzoeksrapport van de Inspectie SZW. Dat kan nog wel via een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob); alleen wordt de informatie dan niet alleen aan het slachtoffer verstrekt, maar ook openbaar gemaakt. Daartoe moeten dan bijvoorbeeld de medische gegevens (waarover het slachtoffer juist wil beschikken) uit de rapportage worden weggelakt. Voorgesteld wordt om in artikel 24, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet op te nemen dat, naast de werkgever, de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, een slachtoffer van een arbeidsongeval altijd het onderzoeksrapport, inclusief de bijlagen, ontvangt van de Inspectie SZW. Het gaat daarmee om een bijzondere regeling die voorrang heeft op de Wob (zie artikel 2, eerste lid, Wob), zodat toetsing aan onder meer de weigeringsgronden uit artikel 10 van de Wob achterwege blijft.

2 Afschaffing vervolguitkering WW VVU (artikel VI)

Voorgesteld wordt om artikel 130h Werkloosheidswet (WW), dat ziet op overgangsrecht in het kader van afschaffing van de vervolguitkering (VVU) van de WW met ingang van 1 januari 2004, buiten toepassing te verklaren voor aanvragen die na 31 december 2019 worden ingediend. Om de ten tijde van de afschaffing reeds bestaande rechten van werkloze werknemers op een VVU te eerbiedigen, is voor een aantal categorieën werkloze werknemers een overgangsregeling opgenomen in artikel 130h WW. Ten tijde van afschaffing van de VVU werd verwacht dat – gelet op de maximale duur van de loongerelateerde- en vervolguitkering tezamen - circa acht jaar na afschaffing van de VVU de in het overgangsrecht geregelde gevallen zich niet meer voor zouden kunnen doen. Op dit moment, 15 jaar nadat de VVU is afgeschaft, ontstaan er op grond van dit overgangsrecht in uitzonderlijke gevallen nog steeds nieuwe rechten op een VVU en wordt er momenteel nog steeds in een 20-tal (lopende) gevallen een VVU betaald. Het betreft voormalig WAO-gerechtigden aan wie een VVU is toegekend naar aanleiding van intrekking dan wel verlaging van de WAO-uitkering. Vanwege het feit dat inmiddels al meer dan acht jaar is verstreken sinds invoering van het overgangsrecht, wordt voorgesteld het betreffende artikel met ingang van 1 januari 2020 niet meer van toepassing te laten zijn. Dit gebeurt door een vijfde lid aan artikel 130h toe te voegen dat bepaalt dat het eerste tot en met het derde lid niet van toepassing zijn op aanvragen die na 31 december 2019 worden ingediend. Dit betekent dat er met ingang van 1 januari 2020 geen nieuwe aanspraken op een VVU kunnen ontstaan. Uitkeringsgerechtigden met een lopende VVU houden recht op deze uitkering tot einde duur van deze uitkering. Deze wijziging leidt tot een beperkte besparing op de WW-uitkeringslasten van circa € 250.000 per jaar.

3 Controle melding WagwEU (artikel XII)

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU) is de dienstverrichter, die een werknemer detacheert naar Nederland, verplicht dit schriftelijk of elektronisch aan Onze Minister te melden op een tijdstip voor aanvang van de werkzaamheden, waarbij de dienstverrichter opgave doet van de gegevens genoemd in dat lid. Op grond van het tweede lid verstrekt de dienstverrichter vóór aanvang van de werkzaamheden aan de dienstontvanger een afschrift van een deel van de melding. Op grond van het derde lid dient de dienstontvanger dit afschrift te controleren, en onjuistheden of het niet hebben ontvangen van het afschrift ook voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk of elektronisch aan Onze Minister door te geven. 

Omdat de dienstverrichter ook aan zijn meldingsplicht kan voldoen door vlak voor de werkzaamheden een afschrift aan de dienstontvanger te zenden, is het mogelijk dat in de praktijk te weinig tijd overblijft voor de dienstontvanger om dit afschrift deugdelijk te controleren en onjuistheden tijdig door te geven. Bovendien kan pas op het moment van aanvang van de werkzaamheden worden vastgesteld dat het afschrift niet op tijd is ontvangen, in welk geval het voor de dienstontvanger niet mogelijk is om dit voor aanvang van de werkzaamheden door te geven. Daarom wordt voorgesteld de dienstontvanger een termijn te geven van vijf werkdagen, gerekend vanaf het moment van aanvang van de werkzaamheden, voor het melden van onjuistheden of het niet hebben ontvangen van het afschrift.

4 Schuldig en nalatig verklaring (artikel XIV)

In artikel 61, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt verduidelijkt dat het schuldig nalatig verklaren van een premieplichtige alleen mogelijk is voor zover de premie voor de algemene ouderdomsverzekering onbetaald is gebleven. Dit blijkt wel uit de tekst van artikel 13, eerste en tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, maar wordt niet expliciet herhaald in de tekst van artikel 61, eerste lid, van de Wfsv. Om het misverstand te vermijden dat schuldig nalatig verklaren ook mogelijk is indien uitsluitend de premie voor andere volksverzekeringen niet is betaald, wordt laatstgenoemd artikel met het oog hierop verduidelijkt. Voor de volledigheid zij vermeld dat onder “betalen” ook voldoening via verrekening, dwanginvordering etc. kan worden verstaan.

In het vierde lid is de eerste zin opnieuw geformuleerd omdat de opslag van 5% boven op de premie bij een nabetaling binnen 5 jaar komt te vervallen. Gebleken is dat deze opslag wordt ervaren als dubbelop, omdat de Belastingdienst in dat geval ook belastingrente of invorderingsrente oplegt op grond van de Algemene wet rijksbelastingen en de Invorderingswet. In de belastingwetgeving is derhalve al voorzien in een financiële prikkel om tijdig te betalen en de opslag is hiermee overbodig. De opslag zou premieplichtigen er juist van kunnen weerhouden om alsnog te betalen. Om die reden wordt voorgesteld de opslag van 5% op grond van artikel 61, vierde lid, van de Wfsv te laten vervallen. De verwijzing naar de opslag wordt tevens geschrapt in het vijfde lid, onderdeel b, het nieuwe zesde lid en in artikel 83, eerste lid, onderdeel c. In het nieuwe vierde lid wordt tevens geregeld dat bij betaling van de premie binnen vijf jaar de beslissing tot schuldig nalatigverklaring wordt gewijzigd of ingetrokken. Ten gevolge daarvan vervalt het overeenkomstige zesde lid en wordt het zevende lid vernummerd. De financiële effecten van de afschaffing van de 5% opslag worden geraamd op € 400.000 per jaar.

5 Rijksbijdrage basisvoorzieningen (artikel XIV)

Thans wordt voor een deel in de kosten van uitvoering door UWV voorzien via rijksbijdragen. Hoewel denkbaar is dat deze rijksbijdragen separaat worden beheerd en de daaruit betaalde kosten separaat worden verantwoord, heeft het UWV aangegeven dat het voor een efficiënte uitvoering wenselijk is als deze rijksbijdragen mogen worden gestort in het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), van waaruit de betreffende uitvoeringskosten kunnen worden betaald. In artikel 99 van de Wfsv wordt geregeld welke middelen ten gunste van het AWf mogen komen. In het nieuwe onderdeel h van dat artikel wordt de rijksbijdrage in de uitvoeringskosten van het UWV toegevoegd, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald. Hiermee wordt beoogd om mogelijk te maken dat specifieke bij ministeriële regeling genoemde uitvoeringskosten van UWV ten laste van de rijksbijdrage in de uitvoeringskosten van UWV kunnen lopen via het AWf. Ter realisatie daarvan zal een overeenkomstig deel van deze rijksbijdrage ten gunste komen van het AWf, waardoor dit niet leidt tot financiële gevolgen voor het AWf. Vervolgens kan er bij ministeriële regeling op grond van artikel 121a van de Wfsv in worden voorzien om welke soorten uitvoeringskosten het daarbij gaat en hoe de bevoorschottings- en verantwoordingssystematiek daarvan wordt vormgegeven. In verband hiermee wordt er in artikel 100 in voorzien dat de uitvoeringskosten waarvoor een deel van de rijksbijdrage ten gunste van het AWf komt, ten laste van het AWf mogen komen, ook als deze geen directe betrekking hebben met de uitkeringen op grond van de WW of artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet.

 

[1] Kamerstukken I 2010/11, 32500 VI, M.